kiezen, de legerplaats te versterken en ons den toevoer af te snijden. Als nu Crassus zag, dat zijn strijdkrachten zich wegens haar gering getal niet lieten verdeelen, de vijand daarentegen strooptochten hield, de wegen bezette en toch nog genoeg troepen ter bescherming van zijn legerplaats achterliet, dat daarom de toevoer van koorn en anderen voorraad voor hem. Crassus, steeds bezwaarlijker werd, dat de vijand van dag tot dag talrijker werd, — toen meende Crassus zonder verwijl een beslissenden slag te moeten leveren. Dit stelde hij dan ook in den krijgsraad voor, en toen hij allen eensgezind met hem vond, bepaalde hij den slag op den volgenden dag.
24. Met het aanbreken van den dag rukte Crassus met zijn geheele leger uit en stelde het op in twee slagliniën, waarbij hij de hulptroepen in het midden nam. Dan wachtte hij af, welk besluit de vijanden zouden nemen. Dezen hielden weliswaar, zoowel wegens hun overmacht en hun alouden oorlogsroem als wegens ons gering aantal de overwinning voor zeker, maar zij oordeelden 't toch veiliger door het bezetten der wegen en het afsnijden van den toevoer de zege zonder verlies te behalen; trokken de Romeinen uit gebrek aan levensmiddelen terug, dan dachten zij hen op den marsch aan te vallen, terwijl dezen, niet slagvaardig en bepakt, minder zelfvertrouwen hadden. Dit plan werd door de aanvoerders goedgekeurd; de vijanden bleven derhalve, trots den opmarsch der Romeinen, rustig in de legerplaats. Maar Crassus had het plan doorzien. Toen nu de vijanden door hun talmen en hun schijnbare vrees onze soldaten strijdlustiger hadden gemaakt en van alle zijden zich stemmen verhieven, dat men niet langer moest talmen om het vijandelijk kamp aan te tasten, rukte Crassus, na de zijnen nog eens te hebben toegesproken, onder algemeene geestdrift tegen de legerplaats der vijanden op.