Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/92

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

25. Eenigen begonnen de grachten vol te werpen, anderen verdreven met een hagelbui van werpspiesen de verdedigers van den wal en van de schansen; de hulptroepen, waarop Crassus voor het gevecht niet veel vertrouwen had, voerden steenen en werpspiesen aan, of droegen graszoden aan tot een dam, waardoor 't volkomen den schijn had, alsof zij zelf medestreden. Van hun kant weerden zich de vijanden, hardnekkig en onverschrokken, en hun werpspiesen, van boven af geslingerd, misten hun uitwerking niet. Inmiddels was de ruiterij om het vijandelijk kamp heengereden en berichtte aan Crassus, dat aan den kant van de decumaansche poort (achterpoort) de legerplaats niet met dezelfde zorgvuldigheid was versterkt en men dáár gemakkelijk kon binnendringen.

26. Crassus wekte nu de aanvoerders der ruiterij op, de hunnen door groote belooningen en beloften aan te vuren en gaf hun zijn bevelen. Dezen lieten dienovereenkomstig de cohorten, die, ter bescherming van de legerplaats achtergelaten, nog ongerept waren, oprukken en voerden ze langs een grooten omweg rond de vijandelijke legerplaats, om niet van daar uit te worden gezien. Terwijl de gansche opmerkzaamheid van den vijand op het gevecht was gericht, kwamen zij snel bij de schansen, waarvan wij boven hebben gesproken, en stonden, na deze te hebben neergeworpen, in het vijandelijk kamp, vóór de vijand nog kon zien, of weten, wat er gebeurde. Toen nu de onzen het krijgsgeschreeuw aan dien kant hoorden, begonnen zij weder met frissche krachten moediger den strijd, zooals gewoonlijk bij het uitzicht op de overwinning geschiedt. De vijanden, van alle zijden omringd, gaven alles verloren, trachtten in aller ijl over de verschansingen naar beneden te springen en hun heil in de vlucht te zoeken. De ruiterij vervolgde hen in de open vlakte en