Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/93

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

liet van de 50.000 man, die volgens betrouwbare berichten uit Aquitanië en Cantabrië waren tezamen gekomen, nauwelijks een vierde over. Laat in den nacht keerde zij eerst in de legerplaats terug.

27. Op het bericht van dezen slag onderwierp zich het grootste deel van Aquitanië aan Crassus en stelde uit eigen beweging gijzelaars; daaronder waren namelijk de Tarbellers, Bigerrionen, Ptianiërs, Vocaten, Tarusaten, Elusaten, Gaten, Auskers, Garumners, Sibuzaten en Cocosaten. Slechts eenige ver wonende volken deden dit niet, vertrouwende op het jaargetijde, daar de winter voor de deur stond.

28. Ongeveer terzelfder tijd rukte Caesar, ofschoon de zomer haast voorbij was, toch met zijn leger op tegen de Moriners en Menapiërs, wijl deze volken, na de onderwerping van geheel Gallië, alleen nog onder de wapenen stonden en nog nooit gezanten om vrede tot hem hadden gezonden. Hij deed het in de meening, dezen oorlog tot een spoedig einde te kunnen brengen. Maar deze volken begonnen den krijg op een gansch andere wijze te voeren, dan de overige Galliërs. Want daar zij zagen, dat zelfs de grootste volken in open veldslag geslagen en overwonnen waren, trokken zij met al hun have in de uitgestrekte bosschen en moerassen terug, waarvan hun land vol was. Toen Caesar aan den ingang van deze bosschen was gekomen en aanstalten had laten maken om zijn legerplaats op te slaan, had geen vijand zich in dien tijd laten zien; maar zoodra de onzen zich bij den arbeid verdeeld hadden, stormden de barbaren uit alle kanten van het bosch plotseling te voorschijn en vielen ons aan. Terstond grepen de onzen naar de wapenen en wierpen hen in het woud terug, waarbij de vijand veel volk verloor. Toen wij hen echter te ver in die vrij wel ontoegankelijke streken achtervolgden, verloren ook wij eenige manschappen.