Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/94

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

29. In de naastvolgende dagen begon Caesar het woud om te houwen; al de gevelde boomen liet hij, de kronen buitenwaarts gekeerd, als een wal ter bedekking der beide zijden ophoopen, opdat onze soldaten niet ongewapend en onvoorziens door den vijand in de flank kon worden aangevallen. Men was in weinige dagen met ongeloofelijke vlugheid een groot stuk gevorderd; het vee en het achterste deel van hun legertrein was reeds in onze handen gevallen, terwijl de vijanden zelve zich in de dichtere bosschen terugtrokken, toen er zulk stormachtig weer kwam, dat men noodzakelijk met den arbeid moest ophouden en de aanhoudende regens een langer verblijf der soldaten onder de tenten onmogelijk maakten. Caesar verwoestte derhalve alle akkers van den vijand, legde dorpen en woningen in de asch en ging daarna met zijn leger terug, dat hij in het gebied der Aulerkers, Lexoviërs en der overige staten, die het laatst den oorlog hadden begonnen, in de winterkwartieren legde.