Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/99

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

verleenen. Hierdoor bemoedigd strekten de Germanen hun zwerftochten verder uit en waren het land der Eburonen en Condrusen, die onder de bescherming der Trevirers stonden, binnengerukt. Caesar riep den adel van Gallië tot zich, oordeelde het echter niet raadzaam hun iets van hetgeen hij had waargenomen te laten bemerken, maar sprak hun integendeel vriendelijk toe en bemoedigde hen, verlangde het stellen van ruiterij en besloot, den oorlog met de Germanen te beginnen.

7. Zoodra Caesar den toevoer van graan bezorgd en de ruiters uitgezocht had, begon hij zijn marsch naar die streken, waar de Germanen, zooals hij gehoord had, stonden. Toen hij nog weinige dagmarschen van hen verwijderd was, verschenen er afgezanten van hen, wier rede ongeveer aldus luidde: De Germanen zouden weliswaar de Romeinen niet het eerst aanvallen, zij waren echter ook, voor 't geval zij werden aangevallen, tot den strijd bereid. Want het was bij de Germanen een van de voorouders overgeleverd gebruik, zich te weren tegen een aanvallenden vijand, niet, hem door bidden van zich zoeken af te wenden. Dit echter wilden zij zeggen: niet uit vrijen wil, maar als uit hun land verdrevenen waren zij gekomen; wilden de Romeinen een goede verstandhouding met hen, zij konden nuttige vrienden voor hen zijn; zij moesten hun dan landerijen aanwijzen, of hun die laten, welke zij veroverd hadden. Alleen voor de Sueben ruimden zij het veld, tegen wie de onsterfelijke Goden zelfs niet waren opgewassen; overigens was er op aarde niemand, dien zij niet konden bedwingen.

8. Caesar antwoordde hierop, wat hem passend scheen en besloot aldus: "Hij kon met hen geen vriendschap sluiten, zoolang zij in Gallië bleven; het had ook geen grond, een vreemd gebied in bezit te nemen, als men zijn eigen gebied niet had kunnen beschermen; ook waren in