Artikel 33.
Wanneer een Souverein of het Hoofd van een Staat tot arbiter wordt gekozen, wordt de arbitrale rechtspleging door Hem geregeld.
Artikel 34.
De opperarbiter is van rechtswege Voorzitter van de Rechtbank. Wanneer in de Rechtbank geen opperarbiter zitting heeft, benoemt zij zelve haren voorzitter.
Artikel 35.
In geval van overlijden, ontslag of verhindering, om welke reden dan ook, van een der arbiters wordt in zijne vervanging voorzien, op de wijze, voor zijne benoeming vastgesteld.
Artikel 36.
De zetel van de Rechtbank wordt door Partijen aangewezen. Bij gebreke van die aanwijzing zetelt de Rechtbank te 's-Gravenhage.
De aldus vastgestelde zetel kan, behoudens het geval van overmacht, door de Rechtbank niet veranderd worden dan met goedvinden van Partijen.
Artikel 37.
Partijen hebben het recht, bij de Rechtbank gemachtigden of bijzondere agenten te benoemen, met de opdracht als tusschenpersoon werkzaam te zijn tusschen haar en de Rechtbank.
Zij zijn bovendien bevoegd door haar te dien einde benoemde raadslieden of advocaten te belasten met de verdediging harer rechten en belangen voor de Rechtbank.
Artikel 38.
De Rechtbank beslist over de keuze der talen, waarvan zij zich bedienen zal, en waarvan het gebruik in hare zittingen geoorloofd zal zijn.
Artikel 39.
De arbitrale rechtspleging bestaat in den regel uit twee onderscheiden deelen: de instructie en de debatten.
De instructie bestaat in de mededeeling, door de wederzijdsche agenten aan de leden van de Rechtbank en aan de Tegenpartij, van alle gedrukte of geschreven stukken en van alle bescheiden, die de in het geding voorgedragen middelen bevatten.