Artikel 19.
De testamenten der krijgsgevangenen worden in bewaring genomen of verleden op dezelfde wijze als voor de militairen van het eigen leger.
Men zal evenzeer dezelfde regelen volgen ten aanzien der stukken betreffende het bewijs van overlijden, alsmede ten aanzien van de ter aarde bestelling van de krijgsgevangenen, waarbij met hunnen graad en hunnen rang rekening zal worden gehouden.
Artikel 20.
Na het sluiten van den vrede, zal de terugkeer van de krijgsgevangenen naar hun vaderland binnen den kortst mogelijken tijd moeten geschieden.
HOOFDSTUK III.
Van de zieken en de gewonden.
Artikel 21.
De verplichtingen der oorlogvoerenden betreffende de zorg voor de zieken en gewonden worden beheerscht door het Verdrag van Genève van 22 Augustus 1864, behoudens de wijzigingen die dit Verdrag zal kunnen ondergaan.
AFDEELING II.
Van de vijandelijkheden.
HOOFDSTUK I.
Van de middelen om den vijand te benadeelen, van de belegeringen en bombardementen.
Artikel 22.
De oorlogvoerenden hebben geen onbegrensd recht ten aanzien van de keuze der middelen om den vijand te benadeelen.
Artikel 23.
Behalve de verbodsbepalingen door bijzondere verdragen vastgesteld, is het met name ontzegd:
a. vergift of vergiftigde wapenen te bezigen;
b. personen behoorende tot het vijandelijk volk of leger verraderlijk te dooden of te verwonden;