Artikel 28.
Het is verboden zelfs eene stormenderhand genomen stad of plaats aan plundering over te leveren.
HOOFDSTUK II.
Van de spionnen.
Artikel 29.
Als spion kan alleen beschouwd worden de persoon die, heimelijk of onder valsche voorwendsels, in den kring der krijgsverrichtingen van eenen oorlogvoerende inlichtingen inwint of tracht in te winnen, met het oogmerk die aan de tegenpartij mede te deelen.
Alzoo worden de niet vermomde militairen, die in het gebied der krijgsverrichtingen van het vijandelijk leger zijn binnen gedrongen, ten einde inlichtingen in te winnen, niet als spionnen beschouwd. Evenmin worden als spionnen beschouwd: de militairen en de niet-militairen, die, belast met het overbrengen van berichten, welke bestemd zijn hetzij voor hun eigen leger hetzij voor het vijandelijk leger, openlijk hunne opdracht vervullen. Tot deze categorie behooren eveneens zij, die in luchtballons zijn uitgezonden ten einde berichten over te brengen, en, in het algemeen, de gemeenschap tusschen de verschillende deelen van een leger of van een gebied te onderhouden.
Artikel 30.
De op heeterdaad betrapte spion zal niet zonder voorafgaande rechterlijke uitspraak kunnen worden gestraft.
Artikel 31.
De spion die, nadat hij het leger waartoe hij behoort weder heeft bereikt, later door den vijand wordt gevat, wordt als krijgsgevangene behandeld en kan voor zijn vroegere daden van spionnage niet meer ter verantwoording worden geroepen.
HOOFDSTUK III.
Van de parlementairen.
Artikel 32.
Als parlementair wordt beschouwd de persoon, die door een