De bezetting strekt zich slechts uit over die deelen van het grondgebied waar dit gezag gevestigd en in staat is zich te doen gelden.
Artikel 43.
Wanneer het gezag van de wettelijke overheid feitelijk is overgegaan in handen van dengene, die het gebied heeft bezet, zal deze alle maatregelen nemen, die in zijn vermogen staan, ten einde voor zooveel mogelijk de openbare orde en het openbaar leven te herstellen en te verzekeren en zulks, behoudens volstrekte verhindering, met eerbiediging van de in het land geldende wetten.
Artikel 44.
Het is verboden de bevolking van een bezet gebied te dwingen deel te nemen aan de krijgsverrichtingen tegen haar eigen land.
Artikel 45.
Het is verboden de bevolking van een bezet gebied te noodzaken trouw te zweren aan de vijandelijke mogendheid.
Artikel 46.
De eer en de rechten van het gezin, het leven der personen en de bijzondere eigendom, alsmede de godsdienstige overtuigingen en de uitoefening van de eerediensten moeten worden geeerbiedigd.
De bijzondere eigendom kan niet worden verbeurd verklaard.
Artikel 47.
Plundering is uitdrukkelijk verboden.
Artikel 48.
Indien de bezetter in het bezet grondgebied de belastingen, rechten en tollen heft, ten bate van den Staat vastgesteld, zal hij dit, zooveel mogelijk, doen volgens de geldende regelen voor de grondslagen en de verdeeling en zal daaruit voor hem de verplichting voortvloeien om te voorzien in de kosten van het bestuur van het bezette gebied in dezelfde mate, als de wettelijke Regeering daartoe verplicht was.
Artikel 49.
Indien, buiten en behalve de belastingen in het vorig artikel