Naar inhoud springen

Pagina:Conventies van Den Haag 1907 (Staatsblad 1910 no 73).pdf/134

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

voerenden in hunne betrekkingen tot elkander en tot de bevolkingen.

Het is evenwel niet mogelijk geweest reeds thans voorschriften te beramen, toepasselijk op alle omstandigheden, welke zich in de werkelijkheid voordoen.

Intusschen kon het niet in de bedoeling der Hooge Verdragsluitende Partijen liggen, dat de niet voorziene gevallen, bij gebreke van eene geschreven bepaling, zouden zijn overgelaten aan de willekeurige beoordeeling van hen, die de legers aanvoeren.

In afwachting dat een meer volledig wetboek van de wetten van den oorlog kan worden uitgevaardigd, achten de Hooge. Verdragsluitende Partijen het nuttig te verklaren, dat in de gevallen, welke niet begrepen zijn in de door Haar aangenomen reglementaire bepalingen, de bevolkingen en de oorlogvoerenden verblijven onder de bescherming en de heerschappij der beginselen van het volkenrecht, zooals die voortvloeien uit de tusschen beschaafde volken gevestigde gebruiken, de wetten der menschelijkheid en de eischen van het openbare rechtsbewustzijn.

Zij verklaren, dat met name de artikelen 1 en 2 van het, door Haar aangenomen Reglement in dien zin moeten worden opgevat.

De Hooge Verdragsluitende Partijen, wenschende met dat doel een nieuw Verdrag te sluiten, hebben tot Hare Gevolmachtigden benoemd, te weten:

(zie de namen der Gevolmachtigden in den tekst van het Verdrag.)

Die, na hunne in goeden en behoorlijken vorm bevonden volmachten te hebben nedergelegd, omtrent het volgende zijn overeengekomen:

Artikel 1.

De verdragsluitende Mogendheden verstrekken aan hunne krijgsmachten te land voorschriften, die overeenkomen met het bij dit Verdrag gevoegde Reglement, betreffende de wetten en gebruiken van den oorlog te land.

Artikel 2.

De bepalingen, vervat in het bij artikel 1 bedoelde Regle-