voor de zieken en gewonden worden beheerscht door het Ver drag van Genève.
Afdeeling II.
Van de vijandelijkheden.
HOOFDSTUK I.
Van de middelen om den vijand te benadeelen, van de belegeringen en bombardementen.
Artikel 22.
De oorlogvoerenden hebben geen onbegrensd recht ten aan- zien van de keuze der middelen om den vijand te benadeelen.
Artikel 23.
Behalve de verbodsbepalingen door bijzondere verdragen vastgesteld, is het met name ontzegd:
a. vergift of vergiftigde wapenen te bezigen;
b. personen behoorende tot het vijandelijk volk of leger, verraderlijk te dooden of te verwonden;
c. een vijand te dooden of te verwonden die, de wapenen nedergelegd of geen middelen tot verdediging meer hebbende, zich op genade of ongenade heeft overgegeven;
d. te verklaren, dat geen kwartier wordt verleend;
e. wapenen, projectielen of stoffen te bezigen, die noodelooze smarten kunnen veroorzaken;
f. onrechtmatig gebruik te maken van de parlementaire vlag, de nationale vlag of de militaire onderscheidingsteekenen en de uniform van den vijand, alsmede van de onderscheidingsteekenen van het Verdrag van Genève;
g. vijandelijke eigendommen te vernielen of in beslag te nemen, behalve in geval dat vernielen of in beslag nemen door oorlogsnoodzaak gebiedend wordt gevorderd;
h. de rechten en vorderingen der onderdanen van de tegenpartij vervallen, geschorst of niet ontvankelijk in rechten te verklaren.
Eveneens is het een oorlogvoerende verboden de onderdanen der tegenpartij te dwingen deel te nemen aan krijgsverrichtingen, gericht tegen hun land, zelfs in het geval dat zij vóór den aanvang van den oorlog in zijnen dienst waren geweest.