Naar inhoud springen

Pagina:Conventies van Den Haag 1907 (Staatsblad 1910 no 73).pdf/144

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

Artikel 24.


De krijgslisten en het bezigen van de middelen, noodig om zich inlichtingen te verschaffen nopens den vijand en het terrein, worden beschouwd als geoorloofd.

Artikel 25.

Het is verboden steden, dorpen, woningen of gebouwen, die niet verdedigd worden, met welke middelen ook aan te vallen of te bombardeeren.

Artikel 26.

De bevelhebber der aanvallende troepen moet, alvorens tot het bombardement over te gaan, en behoudens het geval van een aanval stormenderhand, alles doen wat van hem afhangt om de overheden daarvan te verwittigen.

Artikel 27.

Bij de belegeringen en bombardementen moeten alle noo- dige maatregelen genomen worden om de gebouwen gewijd aan de eerediensten, aan de kunsten, de wetenschappen en aan de weldadigheid, de geschiedkundige gedenkteekenen, de hospitalen en de plaatsen, waar zieken en gewonden bij- eengebracht zijn, zooveel mogelijk te sparen, op voorwaarde, dat zij niet gelijktijdig voor een militair doeleinde worden gebruikt.

Het is de plicht der belegerden die gebouwen of plaatsen van verzameling aan te duiden door bijzondere, goed zicht- bare teekenen, die vooraf ter kennis van den belegeraar wor- den gebracht.

Artikel 28.

Het is verboden zelfs eene stormenderhand genomen stad of plaats aan plundering over te leveren.

HOOFDSTUK II.
Van de spionnen.

Artikel 29.

Als spion kan alleen beschouwd worden de persoon, die, heimelijk of onder valsche voorwendsels, in den kring der krijgsverrichtingen van eenen oorlogvoerende inlichtingen