Naar inhoud springen

Pagina:Conventies van Den Haag 1907 (Staatsblad 1910 no 73).pdf/148

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

Artikel 45.

Het is verboden de bevolking van een bezet gebied te noodzaken trouw te zweren aan de vijandelijke Mogendheid.

Artikel 46.

De eer en de rechten van het gezin, het leven der personen en de bijzondere eigendom, alsmede de godsdienstige overtuiging en de uitoefening van de eerediensten moeten worden geëerbiedigd. De bijzondere eigendom kan niet worden verbeurd verklaard.

Artikel 47.

Plundering is uitdrukkelijk verboden.

Artikel 48.

Indien de bezetter in het bezette grondgebied de belastingen, rechten en tollen heft, ten bate van den Staat vastgesteld, doet hij dit, zooveel mogelijk, volgens de geldende regelen voor de grondslagen en de verdeeling en vloeit daaruit voor hem de verplichting voort om te voorzien in de kosten van het bestuur van het bezette gebied in dezelfde mate, als de wettelijke Regeering daartoe verplicht was.

Artikel 49.

Indien, buiten en behalve de belastingen in het vorig artikel bedoeld, de bezetter in het bezette grondgebied andere heffingen in geld doet, kan dit slechts geschieden ter voorziening in de behoeften van het leger of van het bestuur van dat grondgebied.

Artikel 50.

Geenerlei gemeenschappelijke straf, in geld of van anderen aard, mag worden uitgevaardigd tegen de bevolkingen op grond van persoonlijke handelingen, waarvoor zij in haar geheel niet als hoofdelijk aansprakelijk kunnen worden beschouwd.

Artikel 51.

Geene heffing geschiedt dan krachtens een schriftelijk bevel en onder verantwoordelijkheid van een bevelvoerenden generaal.