Naar inhoud springen

Pagina:Conventies van Den Haag 1907 (Staatsblad 1910 no 73).pdf/172

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

Artikel 2.

Het is den oorlogvoerenden verboden het grondgebied eener onzijdige Mogendheid door troepen of konvooien, munitie of krijgsvoorraden te doen doortrekken.

Artikel 3.

Het is den oorlogvoerenden eveneens verboden:

a. op het grondgebied eener onzijdige Mogendheid een radiotelegrafisch station of eenig toestel, bestemd om als middel van gemeenschap met de oorlogvoerende strijdkrachten te land of ter zee te dienen, op te stellen;

b. eenige inrichting van dien aard te gebruiken, die door hen voor den oorlog op het grondgebied der onzijdige Mogendheid is opgesteld met een uitsluitend militair doel, en die niet geopend is geweest voor het publiek.

Artikel 4.

Op het grondgebied eener onzijdige Mogendheid kunnen ten behoeve der oorlogvoerenden geene strijderskorpsen worden gevormd, noch aanwervingsbureaux geopend.

Artikel 5.

Eene onzijdige Mogendheid mag op haar grondgebied geene der in de artikelen 2 tot 4 bedoelde daden dulden.

Zij is slechts verplicht met de onzijdigheid strijdige daden te straffen, indien die daden op haar eigen grondgebied zijn gepleegd.

Artikel 6.

De verantwoordelijkheid eener onzijdige Mogendheid wordt niet gemoeid door het feit dat afzonderlijke personen de grens overtrekken om bij een der oorlogvoerenden in dienst te treden.

Artikel 7.

Eene onzijdige Mogendheid is niet gehouden te beletten, den uit- of doorvoer voor rekening van een der oorlogvoerenden van wapenen, munitie en, in het algemeen, van al wat voor een leger of eene vloot dienstig kan zijn.