Naar inhoud springen

Pagina:Conventies van Den Haag 1907 (Staatsblad 1910 no 73).pdf/173

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

Artikel 8.

Eene onzijdige Mogendheid is niet gehouden ten aanzien van de oorlogvoerenden het gebruik te verbieden of te be- perken van de telegraaf- of telefoonkabels, alsmede van de toestellen voor telegrafie zonder draad, welke hetzij haar eigen eigendom, hetzij dat van vereenigingen of particulieren zijn.

Artikel 9.

Alle beperkende of verbiedende maatregelen, door eene on- zijdige Mogendheid ten aanzien der in de artikelen 7 en 8 bedoelde onderwerpen genomen, moeten door haar op geheel dezelfde wijze op de oorlogvoerenden worden toegepast.

De onzijdige Mogendheid waakt, dat dezelfde verplichting door de maatschappijen of particulieren, die eigenaar zijn van telegraaf- of telefoonkabels of van toestellen voor tele- grafie zonder draad, wordt nagekomen.

Artikel 10.

Als eene vijandige daad kan niet beschouwd worden het feit, dat eene onzijdige Mogendheid, zelfs met geweld, in- breuken op hare onzijdigheid tegengaat.

HOOFDSTUK II.
Van de bij de onzijdigen geïnterneerde oorlogvoerenden en verpleegde gewonden.

Artikel 11.

De onzijdige Mogendheid, die op haar grondgebied troepen toelaat, tot de oorlogvoerende legers behoorende, interneert deze, voor zooveel mogelijk, ver van het oorlogstooneel ver- wijderd.

Zij kan hen doen bewaken in kampen en zelfs hen op- sluiten in vestingen of in daarvoor geschikte plaatsen.

Zij beslist of de officieren vrijgelaten kunnen worden, mits zich op hun eerewoord verbindende het onzijdige grond- gebied niet zonder verlof te verlaten.

Artikel 12.

Bij gebreke van eene bijzondere overeenkomst verschaft de onzijdige Mogendheid aan de geïnterneerden de levensmidde- len, de kleeding en de hulp door de menschlievendheid ge- boden.