11°. het verdrag nopens zekere beperkingen van de uitoefening van het buitrecht in den zeeoorlog;
12°. het verdrag nopens de rechten en verplichtingen der onzijdige mogendheden in geval van zeeoorlog;
13°. de verklaring nopens het verbod om projectielen en ontplofbare stoffen uit ballons te werpen,
van welke verdragen en verklaring een afdruk met vertaling bij dit besluit is gevoegd;
Overwegende, dat de hierboven onder 1, 2, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11 en 12 genoemde verdragen zijn goedgekeurd bij de wetten van 1 Juli 1909 (Staatsbladen nrs. 229, 230, 231, 232, 233, 234, 235, 236, 237, 240 en 239);
Gezien de bij dit besluit gevoegde opgave der Mogendheden, die meergenoemde verdragen en verklaring hebben bekrachtigd of daartoe zijn toegetreden;
Op de voordracht van Onzen Minister van Buitenlandsche Zaken van den 18den Februari 1910, no. 3731, Directie van het Protocol;
Hebben goedgevonden en verstaan:
de bekendmaking van meergenoemde internationale akten met hare vertaling en van gezegde opgave te bevelen door de plaatsing van dit besluit in het Staatsblad.
Onze Ministers, Hoofden van Departementen van Algemeen Bestuur zijn belast, ieder voor zooveel hem betreft, met de uitvoering van hetgeen ten deze wordt vereischt.
's Gravenhage, den 22sten Februari 1910.
De Minister van Buitenlandsche Zaken,
R. DE MAREES VAN SWINDEREN.
Uitgegeven den negenden Maart 1910.
De Minister van Binnenlandsche Zaken,
tijdelijk belast met het beheer van
het Departement van Justitie,