HOOFDSTUK I.
Van het bombardement van niet verdedigde havens, steden, dorpen, woningen of gebouwen.
Artikel 1.
Het is verboden met eene scheepsmacht havens, steden, dorpen, woningen of gebouwen, die niet verdedigd worden, te bombardeeren.
Eene plaats mag niet worden gebombardeerd wegens het enkele feit dat, vóór hare haven, onderzeesche contactmijnen zijn verankerd.
Artikel 2.
Evenwel zijn de militaire werken, militaire of marineinrichtingen, bewaarplaatsen van wapenen of van oorlogsmaterieel, werkplaatsen en inrichtingen geschikt om voor de behoeften van de vijandelijke vloot of van het vijandelijke leger te dienen, en de zich in de haven bevindende oorlogsschepen niet onder dat verbod begrepen. De bevelhebber eener scheepsmacht kan, na tot vernietiging dier zaken binnen een redelijken termijn aangemaand te hebben, dezelve met kanonvuur vernietigen, indien elk ander middel onmogelijk is, en de plaatselijke overheden binnen den bepaalden termijn niet tot die vernietiging zijn overgegaan.
Hij draagt in dat geval geenerlei verantwoordelijkheid voor de gewilde schade, die door het bombardement zou kunnen zijn veroorzaakt.
Indien miltaire eischen een onmiddellijk optreden noodzakelijk maken en niet gedoogen een uitstel toe te staan, blijft, wel te verstaan, het verbod om de niet verdedigde stad te bombardeeren, gelden als in het geval genoemd in lid 1 en moet de bevelhebber alle gewilde maatregelen nemen, opdat die stad er de minst mogelijke bezwaren van ondervindt.
Artikel 3.
Na uitdrukkelijke kennisgeving kan tot het bombardement van niet verdedigde havens, steden, dorpen, woningen of gebouwen worden overgegaan, indien de plaatselijke overheden, door eene formeele aanmaning in gebreke gesteld, weigeren te voldoen aan requisities van levensmiddelen of proviandeering noodig voor de onmiddellijke behoefte der scheepsmacht, die zich voor de plaats bevindt.