Naar inhoud springen

Pagina:Conventies van Den Haag 1907 (Staatsblad 1910 no 73).pdf/293

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

lang zulks noodig is en het kan zich vervolgens verwijderen, wanneer de opperbevelhebber het mogelijk oordeelt.

De oorlogvoerenden moeten aan dat in hunne handen gevallen personeel dezelfde vergoedingen en dezelfde soldij verzekeren, als aan het personeel van dezelfde rangen hunner eigen marine toekomt.

Artikel 11.

De zich aan boord bevindende zeelieden en militairen en andere officieel aan de zee- of landmacht verbonden personen, die gewond of ziek zijn, worden door de nemers beschermd en verzorgd.

Artikel 12.

Elk oorlogsschip van eene oorlogvoerende partij kan de uitlevering verlangen der gewonden, zieken en schipbreukelingen, die aan boord zijn van militaire hospitaalschepen, van hospitaalschepen toebehoorende aan eene vereeniging tot hulpbetoon of aan particulieren, van handelsvaartuigen, jachten en sloepen, van welke nationaliteit die vaartuigen ook zijn.

Artikel 13.

Indien gewonden, zieken of schipbreukelingen aan boord van een onzijdig oorlogsschip worden opgenomen, moeten, binnen de grenzen van het mogelijke, maatregelen genomen worden opdat zij niet meer aan de krijgsverrichtingen kunnen deelnemen.

Artikel 14.

De schipbreukelingen, gewonden of zieken van eenen oorlogvoerende, welke in de handen vallen van den ander, zijn krijgsgevangenen. Aan dezen laatste staat het vrij, naar gelang der omstandigheden, te beslissen of hij hen wil houden, hen zenden naar eene haven van zijnen Staat, naar eene onzijdige haven of zelfs naar eene haven van de tegenpartij. In het laatste geval mogen de aldus aan hun land teruggegeven gevangenen gedurende den oorlog niet dienen.

Artikel 15.

De schipbreukelingen, gewonden of zieken, die, met toestemming van de plaatselijke overheid, in eene onzijdige haven worden ontscheept, moeten, behoudens eene schikking