Naar inhoud springen

Pagina:Conventies van Den Haag 1907 (Staatsblad 1910 no 73).pdf/316

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

VERTALING.

VERDRAG
nopens zekere beperkingen van de uitoefening van het buitrecht in den zeeoorlog.



Zijne Majesteit de Duitsche Keizer, Koning van Pruisen;........(Zie de namen der overige Staatshoofden in den tekst van het verdrag.);

De noodzakelijkheid erkennende om, beter dan voorheen, de billijke toepassing van het recht op de internationale maritieme betrekkingen in tijd van oorlog te verzekeren;

Van oordeel dat, om daartoe te geraken, het aangewezen is te beginnen met de waarborgen, die aan den vreedzamen handel en den onschadelijken arbeid verschuldigd zijn, alsmede de wijze waarop de vijandelijkheden op zee gepleegd worden in gemeenschappelijke regelen samen te vatten, daarbij, in een gemeenschappelijk belang, zekere oude, van elkander afwijkende praktijken prijs gevende of c. q. met elkaar verzoenende; dat het van belang is in wederkeerige, geschreven overeenkomsten de beginselen vast te leggen, die tot nu toe in het onzeker gebied der twistpunten gebleven waren of aan den willekeur der Regeeringen waren overgelaten;

Dat, reeds nu, een zeker aantal regelen kan worden gesteld, zonder dat op het thans voor de aangelegenheden, die er niet in voorzien worden, geldend recht inbreuk wordt gemaakt;

Hebben tot Hunne Gevolmachtigden benoemd, te weten:

(zie de namen der Gevolmachtigden in den tekst van het Verdrag.)

Die, na hunne in goeden en behoorlijken vorm bevonden volmachten te hebben nedergelegd, omtrent de volgende bepalingen zijn overeengekomen: