Naar inhoud springen

Pagina:Conventies van Den Haag 1907 (Staatsblad 1910 no 73).pdf/317

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

HOOFDSTUK I.
Van de brievenpost.

Artikel 1.

De brievenpost van onzijdigen of oorlogvoerenden, welke ook haar ambtelijke of particuliere aard zij, die op zee op een onzijdig of vijandig schip wordt gevonden, is onschendbaar. Indien het schip wordt genomen, wordt zij met zoo min mogelijk vertraging door den prijsmaker verzonden.

De bepalingen van vorenstaand lid zijn niet van toepassing, in geval van blokkade-breuk, op de brieven bestemd voor of herkomstig uit de geblokkeerde haven.

Artikel 2.

De onschendbaarheid der brievenpost onttrekt de postbooten van onzijdigen niet aan de wetten en gebruiken van den zee-oorlog betreffende onzijdige handelsvaartuigen in het algemeen. Echter behooren zij slechts in geval van noodzaak te worden onderzocht, en met alle mogelijke voorbehoedmaatregelen en spoed.

HOOFDSTUK II.
Van de vrijstelling van prijsmaking voor zekere vaartuigen.

Artikel 3.

De booten, uitsluitend gebezigd voor de kustvisscherij of de kleine plaatselijke vaart, zijn vrijgesteld van prijsmaking, evenals hun vischtuig, want, andere scheepsbenoodigdheden en lading.

Deze vrijstelling is op de booten niet langer toepasselijk, zoodra zij op eenigerlei wijze deelnemen aan de vijandelijkheden.

De verdragsluitende Mogendheden verbieden zich den ongevaarlijken aard van gezegde booten te benutten, ten einde ze, met behoud van hun vreedzaam voorkomen, voor een krijgsdoel te gebruiken.

Artikel 4.

Eveneens zijn van prijsmaking vrijgesteld vaartuigen belast met godsdienstige, wetenschappelijke of menschlievende zendingen.