Naar inhoud springen

Pagina:Conventies van Den Haag 1907 (Staatsblad 1910 no 73).pdf/343

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

ondervinding de noodzakelijkheid daarvan aantoonde voor de handhaving van hare rechten;

Zijn overeengekomen de volgende algemeene regelen in acht te nemen, die bovendien geenerlei inbreuk bedoelen te maken op de bepalingen van bestaande algemeene verdragen, en hebben tot Hunne Gevolmachtigden benoemd, te weten:

(Zie de namen der Gevolmachtigden in den tekst van het Verdrag.)

Die, na hunne in goeden en behoorlijken vorm bevonden volmachten te hebben nedergelegd, omtrent de volgende bepalingen zijn overeengekomen:

Artikel 1.

De oorlogvoerenden zijn gehouden de souvereine rechten der onzijdige Mogendheden te eerbiedigen en zich binnen onzijdig grondgebied of in onzijdige wateren te onthouden van alle handelingen, die van den kant der Mogendheden, die ze zouden toelaten, eene verzaking harer onzijdigheid zouden opleveren.

Artikel 2.

Alle vijandelijke handelingen, daaronder begrepen het maken van prijzen en de uitoefening van het recht van onderzoek, gepleegd door oorlogsschepen der oorlogvoerenden in de territoriale wateren eener onzijdige Mogendheid, leveren eene schending op der onzijdigheid en zijn streng verboden.

Artikel 3.

Wanneer een vaartuig prijs gemaakt is in de territoriale wateren eener onzijdige Mogendheid, moet die Mogendheid, indien de prijs nog binnen haar rechtsgebied is, de middelen aanwenden waarover zij beschikt, opdat de prijs met hare officieren en bemanning worde vrijgelaten en opdat de bemanning, die door den prijsmaker aan boord geplaatst is, geïnterneerd worde.

Indien de prijs buiten het rechtsgebied der onzijdige Mogendheid is, moet de Regeering van den prijsmaker op aanvrage dier Mogendheid de prijs met hare officieren en bemanning vrijlaten.