Artikel 4.
Geen prijsgerecht kan door eenen oorlogvoerende worden ingesteld op onzijdig grondgebied of op een schip in onzijdige wateren.
Artikel 5.
Het is den oorlogvoerenden verboden onzijdige havens en wateren tot basis van vlootoperatiën tegen hunne tegenstanders te maken, met name er radio-telegrafische stations of eenig toestel, bestemd om als middel van gemeenschap met strijdkrachten te land of ter zee te dienen, op te stellen.
Artikel 6.
De overdracht, onder welken titel ook, van oorlogsschepen, munitie of eenigerlei oorlogsmateriaal, rechtstreeks of middellijk door eene onzijdige Mogendheid aan eene oorlogvoerende Mogendheid gedaan, is verboden.
Artikel 7.
Eene onzijdige Mogendheid is niet gehouden te beletten den uit- of doorvoer, voor rekening van een der oorlogvoerenden, van wapenen, munitie en in het algemeen van al wat voor een leger of eene vloot dienstig kan zijn.
Artikel 8.
Eene onzijdige Regeering is gehouden de middelen waarover zij beschikt aan te wenden ten einde binnen haar rechtsgebied de uitrusting of bewapening te verhinderen van eenig vaartuig, waarvan zij redelijke gronden heeft te gelooven, dat het bestemd is om te kruisen of om mede te werken aan vijandelijke operatiën tegen eene Mogendheid, waarmede zij in vrede is. Ook is zij gehouden hetzelfde toezicht uit te oefenen, ten einde het vertrek uit haar rechtsgebied te verhinderen van eenig vaartuig, bestemd om te kruisen of om mede te werken aan vijandelijke operatiën en dat binnen gezegd rechtsgebied geheel of gedeeltelijk voor oorlogsdoeleinden mocht zijn geschikt gemaakt.
Artikel 9.
Eene onzijdige Mogendheid moet op beide oorlogvoerenden gelijkelijk de voorwaarden, beperkingen en verbodsbepalin-