gen toepassen, die door haar zijn uitgevaardigd op het stuk van toelating in hare havens, reeden of territoriale wateren van oorlogsschepen van oorlogvoerenden of van hunne prijzen.
Echter kan eene onzijdige Mogendheid den toegang tot hare havens en reeden verbieden aan een vaartuig van een oorlogvoerende, dat mocht hebben nagelaten zich naar de door haar uitgevaardigde bevelen en voorschriften te gedragen of de onzijdigheid mocht hebben geschonden.
Artikel 10.
De onzijdigheid eener Mogendheid loopt geen gevaar door de eenvoudige doorvaart door hare territoriale wateren van oorlogsschepen of prijzen van de oorlogvoerenden.
Artikel 11.
Eene onzijdige Mogendheid kan de oorlogsschepen der oorlogvoerenden zich laten bedienen van hare gediplomeerde loodsen.
Artikel 12.
Bij gebreke van andere bijzondere bepalingen der wetgeving van de onzijdige Mogendheid is het den oorlogsschepen der oorlogvoerenden verboden in de havens en reeden of in de territoriale wateren van die Mogendheid langer dan 24 uren te blijven, behoudens de gevallen in dit Verdrag voorzien.
Artikel 13.
Indien eene Mogendheid, welke in kennis is gesteld van de opening der vijandelijkheden, verneemt, dat een oorlogsschip van een oorlogvoerende zich in een harer havens en reeden of in hare territoriale wateren bevindt, moet zij aan gezegd schip te kennen geven, dat het binnen 24 uur of binnen den door de plaatselijke wet voorgeschreven termijn moet vertrekken.
Artikel 14.
Een oorlogsschip van een oorlogvoerende kan zijn verblijf in eene onzijdige haven niet verder dan den wettelijken duur rekken, dan ter zake van averijen of wegens de gesteldheid der zee. Het moet vertrekken, zoodra de oorzaak der vertraging is vervallen.
De regelen op de beperking van het verblijf in de onzijdige havens, reeden en wateren zijn niet toepasselijk op oorlogs-