Naar inhoud springen

Pagina:Conventies van Den Haag 1907 (Staatsblad 1910 no 73).pdf/346

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

schepen, uitsluitend gebezigd voor eene godsdienstige, wetenschappelijke of menschlievende zending.

Artikel 15.

Bij gebreke van andere bijzondere bepalingen der wetgeving van de onzijdige Mogendheid, bedraagt het grootst aantal oorlogsschepen van een oorlogvoerende, dat zich te zelfder tijd in een van hare havens of reeden mag bevinden, drie.

Artikel 16.

Wanneer oorlogsschepen van beide oorlogvoerenden zich gelijktijdig in eene onzijdige haven of reede bevinden, moet er minstens 24 uur verloopen tusschen het vertrek van het schip van een oorlogvoerende en het vertrek van het schip van den andere.

De orde van vertrek wordt bepaald door de orde van aankomst, tenzij het eerstaangekomen schip in het geval verkeert, waarin verlenging van den wettelijken duur van het verblijf is toegelaten.

Een oorlogsschip van een oorlogvoerende kan eene onzijdige haven of reede niet verlaten binnen 24 uur na het vertrek van een handelsvaartuig dat de vlag van zijne tegenpartij draagt.

Artikel 17.

In de onzijdige havens en reeden kunnen oorlogsschepen van een oorlogvoerende hunne averijen slechts in zoover herstellen, als voor de veiligheid van de vaart onmisbaar is, en niet op eenigerlei wijze hunne strijdkracht versterken. De onzijdige overheid stelt den aard vast der te verrichten herstellingen, die zoo snel mogelijk moeten worden uitgevoerd.

Artikel 18.

De oorlogsschepen van oorlogvoerenden kunnen zich niet bedienen van onzijdige havens, reeden en territoriale wateren, om hunnen krijgsvoorraad of hunne bewapening te vernieuwen of te vergrooten, of om hunne bemanningen voltallig te maken.

Artikel 19.

De oorlogsschepen van oorlogvoerenden kunnen in de onzijdige havens en reeden zich niet verder van levensmiddelen.