Officieel Gedeelte.
Kennisgeving.
Kleinhandel In sterken drank.
BURGEMEESTER en WETHOUDERS van ’s-Gravenhage,
Gelet op art. 5 der wet van 28 Juni 1881 (Staatsblad No. 97), zooals die is gewijzigd bij de wetten van 23 April 1884 (Staatsblad No. 54) en 16 April 1885 (Staatsblad No. 78);
Doen te weten, dat bij hen zijn ingekomen verzoekschriften om vergunning tot uitoefening van den kleinhandel in sterken drank van:
SOPHIA CORNELIA DE KRIJGER, geboren COLLARD, wonende te ’s-Gravenhage, voor de localiteit aan de Oog in het Zeilstraat No. 9 aldaar, waarvoor reeds door hen de vergunning was verleend aan J. G. Collard;
EVERDINA BARBARA COLLARD, wonende te Scheveningen, voor de localiteit aan de Koningstraat No. 14 te ’s-Gravenhage, waarvoor reeds door hen de vergunning was verleend aan J. G. Collard;
De Weduwe J. F. HAESEKER, geboren JOHANNA MARIA VAN AKEN, wonende te Scbeveningen, voor de localiteit aan de Keizerstraat No. 370 aldaar, waarvoor reeds door hen de vergunning was verleend aan J. F. Haeseker.
’s-Gravenhage, den 30n April 1886.
PATIJN.
De Secretaris,
E. EVERS.
(P. 193.)
Koolteer.
BURGEMEESTER en WETHOUDERS van ’s-Gravenhage wenschen Prijsaanbiedingen te ontvangen voor het AFNEMEN VAN HET TEER, dat gedurende [éé]n of twee jaren, in te gaan den 1n Juli a. s., door de Gemeente-Gasfabriek aldaar zal worden voortgebracht.
Voorwaarden en inlichtingen zijn op franco aanvrage te bekomen bij den Directeur der Gasfabriek te ’s Gravenhage.
(P. 181.)
Vergunning.
Bij besluit van Burgemeester en Wethouders van ’s-Gravenhage van 27/30 April 1886, No. 249985/5 [onleesbaar]e Afdeeling, is aan F. W. C. WALDECK vergunning verleend tot het oprichten eener fabriek tot het vervaardigen van houtskoolbriquetten, gedreven door een stoomwerktuig van 12 paardenkracht in perceel Jacob Catsstraat No. 2, kadaster Sectie S, No. 1375. (P. 192.)
Aan het Hoofdcommissariaat van politie zijn als gevonden aangegeven:
Een beursje met f0.14½; een ijzeren ledikant; een tabaksdoos; een zweep; twee beitels; een teekenhaak; een portemonnaie; een meisjes-schooltasch; een paar [onleesbaar]te kindersokjes; een strijkstok. En als gevonden op den tram: Een damesportret; een sleutel; een paar handschoenen; een boek; een zwarte handschoen; [ee]n zwarte kanten das; een visiteboekje
Inlichtingen worden verstrekt op werkdagen van ’s middags 12½—2 uren.
Niet-Officieel Gedeelte.
’s-Gravenhage, 30 April.
Persbeschouwingen.
In een zeer woordenrijk betoog verklaart De Std., van heeler harte mee te gaan met hetgeen dezer dagen het obstructionisme der rechterzijde is genoemd. Nu de liberalisten, opzettelijk en met voorbedachten rade, de samenstelling der Tweede Kamer vervalscht hebben en vervalscht willen houden; nu [ze] daardoor belet hebben, het volk op betere paden te leiden; nu mag althans belet worden, ons volk [nog] dieper te bederven; nu de liberalisten door vervalsching van de stembus beletten, ons land en volk goed te doen, nu moet hun althans belet worden, dat ze ons volk nog erger kwaad berokkenen.
Een onderdeel van ditzelfde artikel maakt uit [de] beschuldiging tegen de zg. liberalen ingebracht, dat zij, na fiasco maken van de Liberale Unie, [tot] chargeeren besloten hadden; en dan wordt daar[om] deze verklaring van het woord chargeeren toegevoegd:
Ge begint dan met allerlei ruwe grofheden aan uwe tegenstander naar het hoofd te slingeren. Ge doet morgen hetzelfde, maar nog erger. Overmorgen nog doller. En zoo eens over den dam, holt ge maar door en schreeuwt hem na, en jouwt hem uit, en stapelt alle scheld- en lasterwoorden tegen hem op een. En, of men tegenpraat, ge gaat maar door en slaat maar door. Altoos chargeerend, aldoor voor al wat leelijk is uitmakend. Ge tast eer, naam en karakter aan. En eindelijk brengt ge het zoo ver, dat onder de min-nadenkende, weinig lezende, niet op de hoogte zijnde lieden, van zelf de opinie post vat: „Hij moet wel een pest van het vaderland zijn van wien men zooveel zeggen durft!”
„De kunst van dat chargeeren verstonden uitnemend de Farizeeën in Jezus dagen.”
Is het niet alsof De Std. hier een bladzijde uit haar eigen geschiedenis heeft geschetst?
Of is dat stelsel van chargeeren niet, letterlijk zoo als het daar verklaard wordt, door haar zelve op de conservatieven toegepast?
*
Zonder den naam van het Wag. Wbl. te noemen, geeft De Standaard heden toch een repliek op de opmerking, door eerstgenoemd blad gemaakt, dat de samenwerking van alle anti-liberalen, nu voor de Staten-verkiezing verlangd, in strijd is met art. 21 van het anti-revolutionnair program. De Std. zegt namelijk: „voor de Provinciale Staten moet anders gehandeld dan voor de Tweede Kamer”. Daarna drie eischen stellende voor een Staten-verkiezingsprogram, waarbij ook hun qualiteit als kiescollege voor de Eerste Kamer niet vergeten wordt, zegt De Std., dat de antirevolutionnaire partij samenwerking kan verlangen omdat het om verandering van régime te doen is, en dan ook van een iegelijk, die haar in haar strijd tegen de suprematie van het liberalisme in de Eerste Kamer wil steunen, medewerking verlangt, omdat het tot de verandering van régime niet komen kan of er moet tact en overleg zijn.
Het wordt ons door deze redeneeriqg niet duidedelijker, hoe de nu voorgestelde samenwerking te rijmen is met art. 21, dat het stellen van eigen candidaten voorschrijft bij „de staatkundige verkiezingen”, waartoe toch ook wel die, waarvan de samenstelling der Eerste Kamer afhankelijk is, zal moeten gerekend worden; en, omgekeerd, evenmin waarom, is hieromtrent afwijking geoorloofd, deze niet, evenzeer als tegen de suprematie van het liberalisme in de Eerste Kamer, tegen de suprematie van het liberalisme in de Tweede Kamer zou mogen, zou moeten, ja met meer reden nog zou behooren gekeerd te worden.
Hierover blijft de nevel met toemende dichtheid hangen.
*
Bevoorrechte schuld: voorrang van schuld-kwijtiug, krachtens wettelijk privilege. Zij is, trots de veeljarige praktijk bij faillissementen, door de Rechtbanken te Amsterdam en te Rotterdam ontzegd: door de eerste aan een boekhouder en daarmede in beginsel aan alle kantoorbedienden; door de tweede aan alle bedienden of werklieden, die in de handleszaak, de fabriek of het bedrijf arbeiden. De N. R. Ct., aan die feiten eenige beschouwingen vastknoopende, acht hier de tusschenkomst van den wetgever zeer noodzakelijk. Immers wat thans voor de handelsbedienden is beslist, kan morgen geldend gemaakt worden in zaken, waarbij de belangen der werklieden betrokken zijn. In welke richting zal de wetgever die tusschenkomst hebben te verleenen? In 1838, in hetzelfde jaar waarin wij hier te lande ons Burgerlijk Wetboek invoerden, dat op dit punt het Fransche Wetboek naschreef, werd in datzelfde Fransche recht en wel ook wegens de onzekerheid der jurisprudentie, de categorie der bevoorrechten uitgebreid tot de ouvriers en de commis, d. i. juist tot die personen waarover het geschil loopt.
Voorts komt in aanmerking de jarenlange praktijk van onze faillissementen, die wel gelden mag als sprekend bewijs voor bet bestaan van een rechtsovertuiging in dezen zin, waarbij de wetgever zich dan heeft aan te sluiten. In ons Strafrecht komt bij „diefstal in dienstbaarheid” dezelfde uitdrukking voor, welke de quaestie van bet privilege beheerscht: „hommes de service”, met zoo ruim mogelijke toepassing op „handelsbedienden, winkelbedienden, enz.” Met het rechtsgevoel der leeken nu is het niet overeen te brengen, dat bij het gunstige privilege een bekrompen, bij het ongunstige een ruime opvatting van een en hetzelfde woord kan gelden.
Maar pleiten ook nu ook rechtsgronden voor een uitbreiding van het privilege in den zin der Fransche wetsherziening van 1838?
Bij de samenstelling van den Franschen Code gold, ter aanprijzing van het algemeen privilege der „gens de service”, der dienst- en werkboden van ons Wetboek, het motief van menschlievendheid, niet voor de dienstbaren, maar voor den meester. Deze laatste mocht niet, juist in de hachelijkste oogenblikken, van zijn dienstpersoneel beroofd worden, hetgeen het geval zou kunnen zijn als dat personeel niet in hetgeen het in het bezit van den meester ziet, te goeder trouw ook het onderpand voor het loon kon beschouwen. Maar dat motief, ten behoeve van den patroon, geldt dan ook in meerdere mate nog voor den kantoorbediende, den boekhouder en voor winkelbedienden en werklieden in eenig bedrijf.
Het keeren van het gevaar van een plotselinge werkstaking van het personeel, wegens gemis van vertrouwen in de loonsbetaling, is voorts het belang van de massa, van alle crediteuren samen, dat immers betrokken is bij de vermeerdering van het vermogen van den patroon door den arbeid van het dienstbaar personeel. Maar beter dan allerlei onmogelijke onderscheidingen in de wet te schrijven, is een beperking alleen van het bedrag, waarvoor het privilege kan worden ingeroepen en dat er den druk van tempert, terwijl het privilege in zijn algemeenheid blijft. Dit geldt zoowel van de kantoorbedienden als van alle werklieden, hoe ook onderscheiden, omdat alle werklieden hun aandeel hebben in de voortbrenging van het geheel. De eenige beperking ligt derhalve in het bedrag. Door den voorrang te verbinden aan een achterstand van niet meer dan drie maanden, voor enkelen misschien van zes maanden, zou de wet ver genoeg gaan. Ook bij voorschotten aan kantoorbedienden of werkmeesters ga de wet stellig niet buiten de grenzen van hetgeen in billijkheid naar de usanties daaronder kan worden begrepen. Eindelijk zal de bediende, die door kwade trouw of grove slordigheid de zaak of den boedel benadeelde, zijn voorrecht moeten verliezen.
Buitenland.
België.
Uit een mededeelïng van de Regeering in de gisteren gehouden zitting der Kamer blijkt, dat in overweging genomen is een voorstel tot regeling van de aansprakelijkheid der patroons tegenover werklieden bij het ontstaan van ongevallen.
Weldra zal in openbare behandeling komen de aanvraag van een crediet van 1 millioen tot het doen van voorschotten aan industrieelen, wier inrichtingen zijn geplunderd of vernield. Bij die gelegenheid wil men tevens grondig onderzoeken de maatregelen die noodig zijn tot verbetering van het lot des werkmans.
De partij der Independenten heeft luitenant-generaal Jacmart als haar candidaat gekozen voor de aanstaande Brusselsche verkiezing.
Duitschland.
Eergisteren woonde Keizer Wilhelm, in den besten welstand, de wedrennen in de Hoppegarten bij. Hij hield er zich anderhalf uur bij op, terwijl hij al dien tijd of liep of stond. De toeschouwers waren verbaasd over de lichamelijke frischheid van den hoogbejaarden Monarch.
— De gezondheidstoestand van graaf Herbert Von Bismarck boezemt ook nu nog geen bezorgdheid in. Zijn betrekking van onder-Staatssecretaris bij Buitenlandsche Zaken wordt waargenomen door den chef der tweede afdeeling aan dat Departement, graaf Berchem. Daartoe werd besloten, omdat graaf Von Bismarck in het gunstigste geval nog in geruimen tijd zijn functiën niet zal kunnen waarnemen.
— Keizer (Koning) Wilhelm heeft de kolonisatiewet voor Posen bekrachtigd. De verordening nopens de instelling van een Koninklijke commissie tot uitvoering der wet wordt voorbereid; zij nadert reeds haar voltooiing.
— De wetsvoorstellen betrekkelijk de brandewijnbelasting, welke nu bij den Bondsraad zijn ingediend, bestaan — gelijk reeds vroeger ondersteld werd — bestaan uit een wet en een subsidiaire wet. Beiden berusten op het beginsel van een consumtiebelasting en beiden zullen enkel werken in de Noord-Duitsche Staten. De inhoud zal niet worden gepubliceerd vóórdat do ontwerpen bij den Rijksdag zullen worden ingediend.
— Eergisteren hebbende Kroonprins en Kroonprinses, hun zoon Hendrik en hun dochters Victoria, Margaretha en Sophia een bezoek gebracht bij den Keizer, om van hem afscheid te nemen voor hun vertrek, respectievelijk naar Homburg en Londen.
— Men wil, dat de Koning van Beieren verlangt, dat door den Staat een leening zal worden gesloten, waaruit zijn particuliere schulden zullen worden voldaan. De aflossing en de interessen, zouden dan uit de civiele lijst worden betaald. De patriotsche partij zou geneigd wezen zulk een wetsvoorstel te steunen, doch dan zou — zoo althans verhaalt een liberaal blad — een Ministerie-Von Franckenstein moeten optreden. Het zou dientengevolge twijfelachtig wezen, of de bewuste wet door het tegenwoordig Bewind zal worden ingediend.
— Aan den Rijksdag is overgelegd een Memorie, waarin een systematisch overzicht wordt geleverd van al de wettelijke bepalingen, welke in de onderscheiden landen van Duitschland bestaan met betrekking tot de Zondagsheiliging. Uit die gegevens blijkt, dat er groote verscheidenheid van wetgeving ten aanzien der Zondagsrust bestaat. Toch moet de Regeering niet geneigd wezen de zaak door den Rijkswetgever te doen regelen, ten einde de vrijheid van beweging der verschillende Bondsstaten op dit punt, zoo nauw met de religieuse opvattingen verbonden, niet te belemmeren.
— De intoebtsfeesten vqn Prins Wilhelm van Wurtemberg te Stuttgardt worden zeer opgewekt gevierd. Prins Wilhelm van Pruisen wordt in genoemde hoofdstad zeer gefêteerd.
Gemengd Buitenl. Nieuws.
Een 34jarige werkvrouw te Parijs kwam de hulp inroepen van een vroedvrouw en spoedig had een nieuwe wereldburger op dit ondermaansche zijn entrée gedaan. Het bleek echter slechts de voorganger van een drietal broeders te zijn, die bij hun komst op de wereld zooveel te doen gaven, dat de vroedvrouw haar man en de dienstbode moest ontbieden om te helpen inbakeren. Het viertal leefde echter niet lang, denkelijk wel omdat het lang voor den tijd gekomen was.
— Te Beeston, een bloeiend stadje bij Nottingham, is een groote fabriek van kantwerk, zijden stoffen, kousen, shawls enz., tot den grond afgebrand. Slechts een deel van de schade, die geraamd wordt op f 150 000, is door assurantie gedekt. Meer dan 1000 personen zijn door deze ramp buiten werk.
— Donderdag voor acht dagen is aan den oever van het meer van Ontario, in de nabijheid van Rochester (V. S.), een prachtige luchtspiegeling (fata morgana) waargenomen. Gedeelten van de stad Rochester en de zuidelijk daarvan gelegen omstreek waren duidelijk in de lucht, ter hoogte van 6 tot 10 mijlen, zichtbaar. Men zag spoorwegen rijden, locomotieven stoom uitlaten, enz. Dergelijke luchtspiegelingen komen om dezen tijd van het jaar zeldzaam voor; meer in den zomer, als de zon de meeste kracht ontwikkelt.
Nederl. Tooneelverbond.
Afdeeling ’s Gravenhage.
Onder de mededeelingen, gedaan in de leden-vergadering, welke in het Groot Keizershof gister-avond werd gehouden, behoorde een brief van den heer D. F. Van Heyst, waarin de schrijver van George de Lalaing, graaf Van Rennenberg, aan bestuurders der Haagsche Afdeeling van het Nederl. Tooneelverbond zijn dank betuigt voor de hem aan den avond van 31 Maart ll., tijdens de opvoering van voormeld stuk als feestvoorstelling voor de leden en hun dames, gebrachte hulde. De belangstelling in zijn werk, op zoo hartelijke wijze aan den dag gelegd, zal hem — zoo verzekert de schrijver — „aanmoedigen om nogmaals zijn krachten aan onze vaderlandsche tooneelletterkunde te beproeven”.
Met groote ingenomenheid werd deze mededeeling door de vergadering vernomen.
In het jaarverslag, door den secretaris uitgebracht over den toestand der Afdeeling, wordt hulde gebracht aan de Vereeniging „het Nederl. Tooneel” voor haar medewerking, door het aanbieden van twee feestvoorstellingen in dit seizoen, om de belangstelling in ’t nationaal tooneel levendig te houden. Over ’t algemeen is de Afdeeling in dit voorname deel van haar werkzaamheid niet ongelukkig geweest. Vermeerdering van ledental blijft intusschen wenschelijk, met het oog vooral op de Tooneelschool, die financieelen steun steeds dringender behoeft.
Uit het verslag van den heer A. L. H. Ising, die namens de Afdeeling het voorloopig eindexamen aan de Tooneelschool op 27 Febr. ll. bijwoonde, bleek dat de resultaten van het onderwijs niet onbevredigend kunnen genoemd worden.
De secretaris deed daarop eenige mededeelingen „over de opleiding voor het tooneel te Kopenhagen, in verband met de Tooneelschool te Amsterdam” (zie het relaas van deze voordracht in ons Feuilleton). Op het voorbeeld te Kopenhagen gegeven, achtte de secretaris samenwerking tusschen de directie van de Tooneelschool en het bestuur van het Conservatorium te Amsterdam, uitgaande van de Amsterdamsche Afdeeling van Toonkunst, wenschelijk, zoowel in het belang van de opleiding van leerlingen voor den zang als in dat van toekomstige tooneelspelers. Gaarne erkende hij met de heeren Jacobson en Ising, dat van pogingen om hier een Nederlandsche Opera in ’t leven te roepen, geen heil te verwachten is; maar dit was ook niet de bedoeling van het onderzoek, dat de secretaris door het Hoofdbestuur en de Commissie van Toezicht op de Tooneelschool wenschte te zien ingesteld. Zooals mr. M. De Pinto te recht deed opmerken en later door de heeren mr. I. Telting, Ising en mr. Jacobson werd toegelicht, beoogde men hier geen samensmelting van de Tooneelschool en het Conservatorium te Amsterdam, maar samenwerking van beiden om elkaar in hun gelijksoortig streven behulpzaam te zijn, daardoor meer eenheid te brengen in het onderwijs aan de leerlingen voor het tooneel en aldus voor beide instellingen meer sympathie en medewerking in den lande te verzekeren.
Na eenig debat, waarbij de hh. Ising en Jacobson herinnerden, dat reeds vroeger pogingen door de Tooneelschool-Commissie waren gedaan om samenwerking met het Conservatorium te Amsterdam te verkrijgen, doch dat daarvan nader niets was vernomen, werd besloten, naar aanleiding van de mededeelingen van den secretaris, aan de Haagsche afgevaardigden ter a. s. Alg. Vergadering te Haarlem op te dragen, in de eerste plaats tot het hoofdbestuur de vraag te richten, hoe het staat met die onderhandelingen; in de tweede plaats op de wenschelijkheid te wijzen, dat bij vernieuwing pogingen worden gedaan om bedoelde samenwerking te verkrijgen.
De beschrijvingsbrief voor de a. s. Alg. Vergadering gaf daarna aanleiding tot eenige gedachtenwisseling: 1o. over het belangrijk tekort op de begrooting voor het aanstaande jaar; 2o. over het Tijdschrift, waarvoor thans een minimum post (f 600) is uitgetrokken. De heer F. Netscher meende, dat het beter ware, een Tijdschrift voor het tooneel, waarvoor zoo weinig wordt uitgetrokken, tot betere tijden te schorsen. Hij wenschte daarom in overweging te geven, dezen post van de begrooting te schrappen. De Vergadering kon zich met dat denkbeeld niet vereenigen. Zij herinnerde den voorsteller aan al hetgeen daaromtrent vroeger is gesproken en voorgesteld, waarbij men steeds tot de conclusie kwam, dat het Tijdschrift niet mocht worden opgeheven, ter wille van de leden in kleinere plaatsen, voor wie deze uitgave schier de eenige band is, die hen aan het Tooneelverbond doet hechten.
Bij de korte bespreking over de posten van de begrooting der Tooneelschool wees mr. Jacobson op het ditmaal niet voorkomen onder de uitgaven van onderwijs in den zang, waardoor des te meer reden bestond om deswege, in verband met de door de Vergadering wenschelijk geachte samenwerking met het Conservatorium, aan het hoofdbestuur inlichtingen te vragen.
Aan de [bestuursled?]en werd een vrij mandaat gegeven voor [de vorming] van hoofdbestuurders, leden van de Com[mmissi]e van beheer en toezicht over de Tooneelschool en van een redacteur voor het Tijdschrift.
De Vergadering benoemde daarna tot iid van liet Bestuur mr. A. A. De Pinto; tot afgevaardigden ter Alg. Vergadering, nadat de heeren Telting, Haaxman en Netscher verzocht hadden niet in aanmerking te komen, de heeren J. C. Van B[oxt?]el, A. Ising, E. Jacobson Servatius, D. F. Van Heyst en mr. M. De Pinto.
Kunstnieuws.
Martyre.
Met ingehouden adem volgde de aandachtige toeschouwer gister-avond de opvoering van Martyre tot het einde toe.
Niet dat de comédie dramatique van D’Ennery en Tarbé vlekkeloos is: want bv. de eerste twee bedrijven zijn niet van stijfheid en gewrongenheid vrij te pleiten, daar zij als het ware overladen of samengeperst zijn; maar met het derde bedrijf neemt het stuk een dramatische vlucht, welke onwillekeurig boeit en medesleept.
Om eenige tooneelen te noemen, welke, menschkundig gedacht, voortreffelijk zijn, denke men slechts aan de eerste ontmoeting van Paulette met de tweede vrouw haars vaders, aan het breed en schoon geschreven tooneel tusschen Laurence en haar gewezen echtgenoot, waar deze haar zegt te haten, en eindelijk aan de geestig gedachte scène van den knecht met Palmieri, waar deze waant beluisterd te zijn.
Ofschoon de ontknooping met de toevallig teruggevonden papieren, welke het wegjagen van Palmieri en zijn zuster ten gevolge hebben, aan de oplossing van zekere drakerige intriges herinnert en de verzoening van man en vrouw, die voortaan weer samen zullen wonen, iets stuitends heeft, worden er echter in het stuk te veel degelijke en meesterlijke tooneelen aangetroffen, om niet het een en ander door de vingers te zien.
De typeering van vele personen getuigt dikwerf ook van een meesterhand; Laurence de Moray, Elie Drack, Palmieri, La Gorgone tot de knechts incluis kunnen daarvan getuigen.
Ofschoon ik bij het bespreken van reizende gezelschappen dc gewoonte volg, de spelers niet afzonderlijk te bespreken, omdat hun verschijnen slechts voorbijgaande is, kan ik niet nalaten daarvan nu af te wijken om hulde te brengen aan Mr. Sully voor zijn spel als Elie-Drack, waarbij hij verstandig genoeg het Engelsch dialect vermeed, dat aan den ernst van deze trouwens dankbare rol had kunnen schaden, en tevens de dames Samary Laurence en Jalabert Paulette mijn compliment te maken voor haar uitnemende opvatting en spel. Mme Daubrun had als Madame de la Marche in het laatste bedrijf indrukwekkende oogenblikken. Mme Cassan als la Gorgone, gaf dit koud, eerzuchtig karakter goed terug. Het haar door de omstandigheden afgedwongen: „Vous êtes notre fille” getuigde ten volle van den afkeer, die haar jegens het meisje bezielde.
Een waardig type was de admiraal, mr. Meigneux, en daargelaten eenige minder goed gekozen standen en iets stijfs en kunstmatigs bij het „overloopen” toonde mr. Abel le Comte de Moray een degelijk acteur te zijn.
Een groote verdienste van mr. Dherbilly was, dat hij de traitre rol van Palmieri niet overdreef en slechts in voorkomen en flink gesouligneerd spel zijn effect zocht.
De beide knechts waren goed gelukte typen.
Kortom, velen, die verhinderd waren de voorstelling van gister-avond bij te wonen, zullen met genoegen vernemen, dat Martyre morgen, Zaterdag, nogmaals opgevoerd zal worden.
Mr. d. V.
* De schilderij van den heer J. Fabius, kunstschilder te Amsterdam, voorstellende de kerk te Katwijk a/Zee met omgeving, is gisteren verloot en ten deel gevallen aan den bezitter van No. 682.
* Uit Enkhuizen ontvingen wij het volgende bericht omtrent den verkoop, die daar gisteren heeft plaats gehad van de oude schilderijen en antieke meubelen, nagelaten door mejonkvrouwe M. M. Snouck van Loosen:
Stilleven, van Willem van Aelst (1678), f 400.— „Tafreel uit een blijspel”, door Corn. Ploos van Amstel (1745), f 330. — „IJsvermaak”, van Hendrik Averkamp, f 315. — Twee „Levantsche Zeehavens”, van Athonie Beerstraeten (1664), f 170 en f 145. — Een rotsachtig strand, waartegen vier schepen door een hevigen storm gedreven worden, door J. Beerstraeten, f 180. — Boerenvreugt, van K. Beelt, f 100. — Bloemstuk van Abr. v. Beijeren, f 300. — Twee landschappen met vee, van Michiel Carrée (1684 en 1685), f 235 en f 200. — „Vioolspeler”, van A. van Doel, f 230. — „Krijgslieden in een dorp”, van B. Gael, f 160. — De Hoefsmid, van denzelfden, f 200. — Twee gezichten aan den Rijn in Duitschland, van Rob. Griffier, f 325 en f 270. — Marg. De Heer, twee teekeningen met dekverf op perkament (1658), f 100. — Gijsbert Jillesz d’Hondecoeter, „watervogels” (1654), f 480. — M. d’Hondecoeter, een groot stuk met dood wild f 1400. — J. J. Horemans, twee intérieurs met figuren, f 165. —
Vier schilderijen van Johan Huchtenburg: de Hertenjacht f 190, de Rijschool f 175, een Legerkamp f 200, Ruitergevecht f 125. — H. van Limborgh, Alexander de Groote in het atelier van Apelles, f 165. — Joh. Lingelbach (1674) een haven in de Levant, f 235. — Fred. Mans, Hollandsch landschap (1681), f 2S0. — Van denz., Winter en zomer, f 160. — J. Miense Molenaer, Vroolijk gezelschap, f 365. — Klaes Molenaer: Het landschap met de herberg, f 250; het strandgezicht bij winter, f 320. — H. Mommers, Hollandsch landschap met vee, f 140; Italiaansche markt, f 100. — Mathys Naiveu: 4 Italiaansche stads- en dorpsgezichten, te zamen f 487. — Een kerk te Haarlem, van Iz. v. Nikkelen, f 140. — T. Ochtervelt, de trictracspelers, f 310. — E. Van der Poel, twee dorpsbranden, f 86. — Corn. Poelenburg, Arkadisch landschap met badende vrouwen, f 280. — De onwaardige echtgenoot, get. Pieter Potter (1648), gerestaureerd, f 100. — Jul. Quinckhardt, de morgendrank, f 115. — Een stilleven, van M. Simons, f 280; een vruchtenstuk van denz., f 355. — J. Steen, de beslissende zet, f 445. — J. Storck, Gezicht te Amsterdam, f 250. — Twee landschappen met vele figuren, van Van de Venne, f 425 on f 280. — Twee Bijbelsche tafreelen van N. Verkolje (1744), f 340. — Pieter Wouwerman, een Legerkamp, f 250; van denz. (1659), een halte in een ruïne, f 350.
Zeven stukken van onbekende meesters uit de Vlaamsche school werden verkocht voor ongeveer f 400. Aan schilderijlijsten werd geveild voor ruim f 450. Een groot oud Japansch porceleinen stel, f 800; een dito kleiner, f 375; een kast uit het midden der zeventiende eeuw, f 285; zes geslepen spiegels, Lodewijk XV, f 332. Vier appliqués, voorstellende de vier jaargetijden, in stijl Lodewijk XVI, elk voor twee kaarsen, f 500; een fraaie dekenkist, f 316; een antieke kast (1675), f 280; een salonspiegel met penanttafel, f 181; een wit marmeren pendule, f 201.
De boekwerken hebben ongeveer f 200 opgebracht.
Voor zes geborduurde kussens, waarmede regentenstoelen van deze familie in vroeger tijd prijkten, werd f 568 betaald.
In aanmerking genomen, dat de verzameling alleen bevatte schilderijen van meesters van den tweeden rang en dat geen kunstkoopers uit het buitenland waren overgekomen, werden over ’t algemeen zeer goede prijzen besteed.
De Dierentuin.
Woensdag-avond werd, in de groote zaal van het gebouw van het Genootschap, de jaarlijksche algemeene vergadering gehouden van aandeelhouders van het Koninklijk Zoölogisch Botanisch Genootschap alhier.
De bijeenkomst werd met een korte toespraak geopend door jhr. C. A. Van Sypesteyn, den ondervoorzitter. Hij bracht den aanwezigen de betuiging van leedwezen over van mr. R. J. graaf Schimmelpenninck van Nyenhuis, den President van het bestuur, wegens diens verhindering om, naar zijn [lu]st en wensch, deze algemeene vergadering te opene]n. Geroepen om den Koning naar de hoofd[stad] te volgen, was graaf Schimmelpenninck verhinderd hier tegenwoordig te zijn. In naam van [den] Voorzitter heette spreker thans de opgekomenen [hart]elijk welkom. Gewichtige mededeelingen omtrent [den] toestand van het Genootschap zouden worden [geda]an, die zeker met belangstelling zouden worden [aangen]omen. ’t Was spreker een eer en een voorrecht [dit?] bijeenzijn te mogen leiden. Als eerste werkzaam[he]id vormde hij de commissie, welke zou belast [zijn] met het stellen der notulen en het controleeren [van] uitlotingen van aandeelen. Hij verzocht heeren H. Mulder, B. J. Ente van Gils en J. Visser Jz., die commissie uit te maken.
Hierop werd voorlezing gedaan van het verslag van den staat der instelling over 1885. Aan dat uitstekend, door den secretaris (baron Wittert van Hoogland) bewerkt stuk ontleenen wij de volgende bijzonderheden:
Het terrein werd verbeterd, vooral door de vergrooting van het muziekterrein, mogelijk geworden door het verleggen van den grooten vijver vóór het hoofdgebouw. Een algemeene verbetering van het terrein, waarop voor de muziek-uitvoeringen stoelen en tafels worden geplaatst, moet, uithoofde van de aanzienlijke kosten, nog achterwege blijven. Om diezelfde reden werd nog niet overgegaan tot het maken eener inrichting voor den aanvoer van slootwater, waaraan toch behoefte bestaat, omdat nu zooveel duinwater voor de besproeiing wordt vereischt.
Gebouwen en hokken. De nieuwe vogelzaal werd voltooid en voldoet. De oude vogelzaal is thans bijkans geheel bestemd voor inlandsche vogels.
Belangrijke herstellingen werden uitgevoerd, o. a. de groote zaal verfraaid en vele nevengebouwen verbeterd.
Aquarium. Een bezending Amerikaansche zalmen en forellen werd door den heer J. Noordhoek Hegt te Apeldoorn ten geschenke gegeven.
Museum. Gedurende 1885 werd het met verschillende geschenken verrijkt.
Diergaarde. Zooveel mogelijkwerd gestreefd naar het voltallig houden der vogelcollectie in de vogelzaal en het aanvullen van de verzameling sieryogels. Op de zeer gewaardeerde hulp van den heer M. Dijs, lid van verdienste van het Genootschap, in zake het aanvullen der inlandsche vogelverzameling en op de geschenken van de heeren A. De Bloeme, A. Greshoff, baron Van Heerdt tot Eversberg, J. A. Schröder enz. wordt bepaald de aandacht gevestigd.
In een lang gevoelde behoefte werd voorzien door het openen der tropische vogelzaal, waardoor meerdere ruimte verkregen werd en tevens meer licht in het oude lokaal kon worden toegelaten door het afbreen van eenige kooien aan de zuidzijde.
Met het oog op den financieelen toestand van het Genootschap en het betrekkelijk gering bedrag, dat jaarlijks voor aankoop van dieren kan worden uitgetrokken, werd besloten om het aantal viervoetie dieren niet uit te breiden en zich vooral toe te leggen op het zooveel mogelijk in vollegiden staat brengen der vogelverz[ameling.]
Gedurende het afgeloop{{grijs[en] [onleesbaar]}}schap het verlies te bet[onleesbaar] paard, een Moluksch he[onleesbaar] aap en eenige dwerg-[onleesbaar] vogels bleef normaal [onleesbaar]
Het fasantenpark gaf stof tot tevredenheid, alhoewel aan den wensch, om daarin alle soorten van fasanten vertegenwoordigd te zien, niet zal kunnen worden voldaan. Het oorlogzuchtig karakter van fasanten-hanen toch is van dien aard, dat o. a. de zwakke Amherst-fasanten uit het park moesten worden verwijderd.
Bloemencollectie en plantsoen. Veel zorg werd aan ’t plantsoen besteed. De leden waardeerden de pogingen om door het plaatsen van bloemengroepen tot een bezoek van de serres uit te lokken. De groote uitgaven, daaraan besteed, bleken nuttig te zijn aangewend. Er bestaat behoefte aan een orchideeënkas, tot welker stichting in beginsel is besloten.
Concerten. Zij werden druk bezocht. De Koninklijke Militaire Kapel, onder directie van den heer J. H. Völlmar, verschaft den leden menigen genotvollen avond, terwijl de Kapel der Schutterij van toenemenden vooruitgang blijk gaf. Tegen stoornis van het kunstgenot, door ’t hinderlijk wandelen der kinderen, werd gewaakt; er zal nog scherper op worden toegezien.
Aan de kinderen van een groot aantal scholen en aan de weezen uit verschillende gestichten werd geheel kosteloos en aan eenige corporatiën tegen de helft van den gewonen entréeprijs toegang tot den Tuin verleend. Enkele volksconcerten, tegen 25 cts. entrée werden ook gegeven.
Raad van Commissarissen en Bestuur. De bekende mutatiën in beide colleges worden geconstateerd. De heer Van Beusekom werd door den heer P. C. Huyser als penningmeester vervangen.
Personeel. ’t Tuinpersoneel bestaat thans, behalve de elèves, uit 5 vaste tuinknechts, een vasten en een tijdelijken arbeider.
Financiën. Deze staan hoogst gunstig. ’t Saldo van het vorig jaar stelde het Bestuur in staat, een nieuwen vleugel [onleesbaar] zijnde nog f 1489.51 hooger dan het saldo van 31 December 1884. Van dit bedrag zijn f 24 000 in prolongatie bij de bankiers Heldring & Pierson geplaatst en is het overige als saldo in de kleine kas voorhanden.
Het ledental bedroeg met het afsluiten van den nieuwen contributiestaat: 2522, zijnde 107 minder dan het vorige jaar. Hoewel dit in de gewone ontvangsten eenige vermindering te weeg brengt, zijn de uitgaven op de begrooting echter zoodanig ingericht, dat zij in evenwicht blijven met de ontvangsten.
De ontvangsten aan contributiën van de leden bedroegen in 1885 f 56 470.50; entréegelden van nieuwe leden f 1545; idem van vreemdelingen en abonnementskaarten f 5567.95. Wegens gekweekte rente van gelden in prolongatie en depot werd f 1419.45 ontvangen.
De geheele ontvangst in 1885 met het saldo van 1884 bedraagt f 94 671.11; de uitgaven, waarbij de aflossingen en rente-betalingen van de geldleening en de nieuwe vogelenzaal, f 70 371.33½, saldo als bovengenoemd f 24 299.71½.
De tuin werd in 1885 door 9467 personen tegen betaling van entrée bezocht, tegen 13 534 in het vorige jaar.
De mededeelingen nopens den staat der geldmiddelen werden met daverende toejuiching ontvangen, waarna door den Voorzitter nog werden medegedeeld de reeds bekende feiten van het eervol ontslag, aan den heer Van Ogten verleend, en diens vervanging door den heer Oudemans, uit 100 sollicitanten, waaronder zeer velen, die aanbevelenswaardig mochten heeten, tot directeur gekozen
Uitgeloot werden: vijf aandeelen van f 1000, te weten nos.: 44, 35, 9, 55 en 18. Zestig aandeelen in ’t stichtings[onleesbaar]:1e Serie nos. 24, 61[onleesbaar] 327, 170, 40, [onleesbaar] 57. 2e Serie, [onleesbaar]9, 259, 971, [onleesbaar]6, 780, 858, [onleesbaar]2, 704, 695 en 504. 3e Serie, nos. 961, 265, 268, 412, 108, 309, 511, 164, 280, 176, 242, 191, 916 en 616.
De agenda was hiermee afgedaan. Op de vraag des Voorzitters of iemand ook nog het woord verlangde over het uitgebracht verslag, vroeg en verkreeg de heer Pimentel het woord. Hij bracht, als tolk van al de aanwezigen, hulde aan ’t beleid van het Bestuur, doch uitte tevens den wensch, dat de dierenverzameling zooveel mogelijk zou worden uitgebreid. In den titel van het Genootschap stond zoölogisch vooraan; dat was niet zonder reden. De dierenverzameling moest blijven vormen een groote reden van aantrekkelijkheid voor de instelling. Spr. vertrouwde, dat door het Bestuur op dat verlangen, ongetwijfeld dat van de meerderheid, zou worden gelet.
De Voorzitter dankte den heer Pimentel voor de goede en vleiende woorden, door hem namens de vergadering, tot het Bestuur gericht. Wat den wensch van den heer Pimentel aanging, de uitbreiding der dierenverzameling, die was reeds ontwikkeld in een schrijven van de Vereeniging Dierentuin, heden door hem ontvangen. Dat schrijven had nog niet kunnen uitmaken een onderwerp van beraad bij het Bestuur; doch spreker kon wel de verzekering geven — de leden van de vermelde Vereeniging werden verzocht zich voorloopig daarmee tevreden te stellen — dat de brief van Dierentuin zeer ernstig reeds in de eerstvolgende Bestuursvergadering zou worden overwogen. De toezegging werd met applaus ontvangen.
Door den heer H. Mulder werd, op de vraag van den Voorzitter, of iemand nog ’t een of ander, betrekkelijk de belangen van het Genootschap in ’t algemeen, had in ’t midden te brengen, het woord gevraagd. Hij stemde in met den lof, aan het Bestuur voor zijn beleid toegezwaaid. De schitterende financieele uitkomsten, door het beleid van het tegenwoordig Bestuur verkregen, bewezen de juistheid van het standpunt, waarop de Vereeniging Dierentuin, uit welker naam spreker mede ’t woord voerde, zich steeds had gesteld, namelijk, dat het Genootschap niet enkel in ’t leven kon worden gehouden, gelijk dat vroeger geschiedde, maar zelfs tot grooten bloei is te brengen. ’t Bestuur, dat thans het beheer in handen heeft, komt dank toe voor de wijze, waarop het zijn roeping vervult, maar ook aan den Raad van Commissarissen, en vooral aan die leden van dat college, aan wier energie de nieuwe toestand voor een gewichtig deel was te danken.
Daverend werden die woorden toegejuicht, terwijl de Voorzitter dankbaar akte van hen nam.
Met dank aan de commissie voor de notulen en de uitloting, sloot de heer Van Sypesteyn de vergadering.
Afzonderlijk maken wij nog gewag van een belangrijk incident. De Voorzitter, de geschiedenis van de Directeurs-verandering mededeelende, releveerde de omstandigheid, dat de heer H. G. J. Maas Geesteranus sedert Februari de betrekking van directeur geheel belangeloos op uitstekende wijze had waargenomen.
Hij vertolkte hem deswege voorloopig den dank van het Bestuur en ook namens den Raad[sleden] Commissarissen, welks voorzitter hem dit, [nam]ens het college, uitdrukkelijk had verzocht. Door de aandeelhouders werd die betuiging met een applaus begroet, waaraan schier geen einde scheen te komen. Die manifestatie gaf den Voorzitter vrijmoedigheid den heer Maas Geesteranus dank te zeggen voor zijn beleid als directeur, ook namens de gezamenlijke aandeelhouders.
Als indruk der vergadering van gisteren, meenen wij te mogen constateeren, dat de Dierentuin, onder het beleid van het tegenwoordig Bestuur, een tijdperk van verhoogden bloei is ingetreden, waartoe de uitnemende administratie van den nieuwen penningmeester, den heer P. C. Huyser, die in de voetstappen wandelt van zijn bekwanen voorganger, den heer Van Beusekom, niet weinig bijdraagt.
* In de volgende week, Dinsdag 4 Mei, zullen in de „Brakke Grond” te Amsterdam, onder leiding van de heeren Frederik Muller & Co., de moderne schilderijen en aquarellen verkocht worden, die het kabinet-Verloren van Themaat hebben uitgemaakt, benevens een aantal kunstwerken uit andere verzamelingen. Onder de schilderijen, die des ochtends te 11 u. worden geveild, komen werken voor van Allebé, Alma Tadema, Artz, Blommers, Bosboom, C. J. Behr, mevr. Bisschop, Apol, Van Everdingen, Van Essen, Brugman, Van Heemskerk van Beest, De Haas, Gabriel, Garrido, Ph. Sadée, Hoevenaar, Ch. Jacque, Jourdan, Rochussen, Mari ten Kate, De Koekkoek’s, Ch. Landelle, Mettling, Louis Meijer, Mollinger, Wally Moes, Nakken, L. Perrault, de gebr. Oyens, Mauve, Joz. Israëls, Roelofs (niet minder dan 8 schilderijen), mej. Roosenboom, A. [v.?] Stolk, F. C. Sierig, De Famars Testas, Verve[er,] Jan Vrolijk, Valkenburg, Van der Velden, Waldorp, Schelfhout, Maria Vos, enz.

