Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen (1753) vol 3.pdf/126

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

gulden voor 't stuk, en vraagde of zy daar meê te vrede was, en of die meester wel tot Amsterdam zou willen komen om voor hem te schilderen, 't antwoord was ja. Zy vertrok met dien buit, en Uilenburg aangespoort door van Pée en Grebber, volgde haar dien zelfden avond (om dat die Haas hem niet ontslippen zoude) met de nagtschuit op Utrecht, en spraken hier over zelf met LAIRES, die zig gereed toonde om van daar op te breken, dat licht geschieden kon, wyl hy geen vragtschuit noodig had om zyn inboel over te voeren. Hy kwam dan ten eersten tot Amsterdam, en op een morgen ontrent negen uuren by Uilenburg daar van Pée en Grebber waren, die hem, van wegen zyn misselyk figuur, verzet stonden aan te kyken. Uilenburg toonde hem een ledigen doek, en vraagde wanneer hy begin wilde maken. Zoo straks antwoorde LAIRES, en vervolgde: wat wilt gy dat ik daar op maken zal? dat is my onverschillig, zeide Uilenburg, maak daar op dat geen van uw genegenheid is. Straks werd hem een palet met verf en een krionpen gegeven, en hy zette zig voor den Ezel.

Tot nog toe had hy de eene hand onder zyn rok gehouden, daar yder het oog op had, nieuwsgierig wat hy daar onder verborgen hield, tot dat hy zyn Fiool daar onder van daan haalde, de snaren stelde, en een deuntje speelde, zoo wel naar de konst dat Grebber die zig meê 't speelen verstond zig daar over verwonderde, en nog meer als hy de Fiool neer gezet hebbende, de krionpen nam, en maakte in een oogenblik de schets, of bewerk van zyn stuk, 't welk verbeelde een beeste stal, en daar in Josef en Maria met haar Kindje. Toen nam hy weer zyn Fiool en speelde een muzykstukje,