Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen (1753) vol 3.pdf/13

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

de geteekende Beeltenis van onzen grooten Meester te schryven:

Dus kon FRANS MIERIS hand, alleen met Kool en Kryt,
Op Parkement zelfs zyn gedaante 't wezen geven:
Maar wie 't Mirakel wil zien eedler levend leven;
Let hoe Penceel en Verw met 't leven dingt om stryd.
Indien 't Parhasius, en Zeuxis mogten zien:
Zy staakten 't wedspel, streên wie d' Eerkrans hem zou bien.

Dit geteekende afbeeltsel is naderhand door Blooteling in zwarte Konst geschraapt, en word onder de Beeltenissen der Konstschilders van de Printkonstlievenden bewaart, en in waarde gehouden: en wy hebben ook niet verzuimt die waarde Beeltenis onder zoo vele deftige Mannen in de Plaat A 1. plaats te geven; op dat der zelver Gedagtenisse nog lang levendig blyve.

Hy heeft d'eer gehad dat de Groothertog van Toskane hem, (uit hoogagting, die hy voor zyn Konst had) kwam bezoeken tot Leyden: en ziende verscheide Konststukjes die ten halven of ten grooten deelen voltooit waren, viel zyn oog eerst, en daar na zyne geneigtheid zoo kragtig op een der zelve, dat hy den Konstenaar smeekte om 't zelve voor hem ten spoedigste op te maken. Hier in was verbeeld een gezelschap van Juffrouwen: voor aan stond 'er een in 't wit Satyn gekleed, hebbende een Luit in de hand, en scheen als opgestaan van een met groen Fluweel bekleeden stoel die agter haar stond: nevens de zelve een ander,