Van marmer en arduin door arbeid opgewassen!
Hier zal d'aanschouwer stilte, ontzag, en aandacht passen,
Daar 't schreiend priesterdom, bedroeft, met doodsgelaat
Voor 't altaar legt ter aarde in 't heylige cieraad,
De Hoogenpriester God om hulp smeekt uit den hoogen.
Men ziet hen algelyk in droefheid opgetogen,
Dees wyde Galery van 't vrouwelyk geslacht
Vervult, dat schreiende om Gods hulpe zyne klacht
Met handenwringen toont, of slaat verbaast zyn armen
Ten hemel, om genade en Goddelyk ontfermen.
Nog treed de Rover toe, door goutdorst boos ontzind,
En slaat haar klachten en gebeden in den wind.
Daar zyn staffieren vast den schat der Godskist rooven:
Maar Gods Almachtige arm weerstaat zyn trots van boven.
Hier legt hy, die nog flus ontzaglyk, groots, vol praal,
Ter Schatzaal intrad, nu aamachtig van 't onthaal
Der hemelgeesten in gedaante als jongelingen;
Terwylze aan elke zyde al slaande hem bespringen.
Dees rykgewapende en welopgezeten noopt
't Gezwinde ros, dat met de hoeven op hem loopt,
Die nu door schrik 't gezicht verduistert, schreeuwt vol smarte:
Zyn dappre wapentuers ontzygt hun Oorlogsharte,
Het gulde harrenas des Ridders op het paart
Doorschittert hun 't gezicht met vreeze, die vervaart,
Nu achter hunnen schut hem sidderende ontvlugten:
Gy ziet Hebreeuwen, van dien trans, op dees gerugten
Verwondert, 's hemels hulp beschouwen tot hun troost.
Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen (1753) vol 3.pdf/133
Uiterlijk
Deze pagina is proefgelezen