tot naavolging voorgesteld, en betragt, daar hy een grooten troost en steun aan zoude gehad hebben, toen hem in den jare 1690 de blintheid overkwam, die hem tot zyn dood bybleef. Menigwerf heeft hy betuigt dat hy blint zynde meer zag dan toen hy ziende was; want toen zag hy daar hy te voren niet eens op gedacht had, namentlyk dat hy moest gespaart hebben, dog te laat, even als die van wien Jan de Bruin de jonge in zyn Jok en Ernst op pag. 5 verhaald: Dat hy zyn inkomen verwaarloost hebbende, met een zyner vrienden in een Schilders winkel ging, die daar eenige stukken kogt. Hy ziende een Tafereel dat konstig geschildert was, verbeeldende het oordeel, dog dier van prys, en geen geld hebbende om 't zelve te koopen, gaf de smart die hy daar over had dus te kennen: Wat een Oordeel verlies ik, overmits ik geen geld heb! waar op zyn vrient hem tot antwoord gaf: Gy mocht beter zeggen: wat een geld verlies ik, overmits ik geen Oordeel heb! Dog het schynt my toe dat zyn noodlot hem uit geduldigen aart zoo zeer niet smarte als het wel anderen zou gedaan hebben! want die genen die verkeering met hem gehouden hebben, getuigen, dat hy zig in die elende heel getroost droeg, en zig met een deuntje op de Fluit, of de Fiool te spelen vermaakte, daar hy wonder wel in bedreven was.
Hy verstond zig heel wel op de Geniologia of uytbeelding des verstands, en wat de Historien, en de oudtydsche gebruiken, in opzigt der Feesten. Praalen. Zwier. Vergodingen, en Lykbestellingen, met hunnen toestel, of aankleven van dien aanbelangt, daar omtrent bediende hy zig, van in de Oudheidskunde bedreven puikdichter