Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen (1753) vol 3.pdf/153

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

verstant door beschaving van een vernuftigen beitel bereid tot zoodanige werkingen die het heeft te verrigten. Dog gelyk alle houd niet even bekwaam tot het bewerken is; zoo volgt ook dat niet alle verstanden even wel geslepen konnen worden, tot een en dezelve oeffening; maar dat het eene tot dit, en 't andere tot wat anders bekwaam gemaakt kan worden, schoon het door een en de zelve leyding word bewerkt.

Dus hangt de bekwaammaking van het menschelyk verstand tot de uitvoering van vernuftige werken niet volslagen af van de bekwame leyding, maar te zamen van de natuurlyke of aangeboren geneigtheid, en goede leyding: zoo dat nog door de leyding, nog door de natuurdrift, elk op zig zelve afgetrokken, maar door beide te gelyk, het verstand tot vernuftige bewerkingen bekwaam gemaakt word. Zulks dat dien een van beide ontbreekt bezwaarlyk een goed Konstschilder kan worden.

Dit gezegde zal de Heer Petr. Francius nog klaarder aanduiden in zyne redenvoering van eenen volmaakten redenaar, daar hy de noodwendigheid der uiterlyke gebaarden en stemleyding bepleitende, dus zeit:

De eerste beginselen is men aan de natuur verschuldigt, de overige aan de Konst en dagelyksche oeffeninge. Zonder Konst is de natuur zwak en onvolmaakt: en de Konst, zoo ze de natuur niet te baat heeft, is ydel; want zy heeft niet waar in zy zig oeffent. Hierom missen zy, myns oordeels, byster, die alle deze uitwendige welsprekentheid, welke in de uitspraak en gebaarden bestaat, de natuur alleen toeschryven, en alles wat van de Konst ontleent word,