Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen (1753) vol 3.pdf/155

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

De een heeft des and'ren hulp van doen, een' vruchtbaare ader
Zoo van natuur, als konst, behooren bey te gader
Verzelt te weezen, eer men in 't beroemd getal
Der grootste Dichteren een plaats verkrygen zal.

Dit oordeel te gelyk met dat van Francius op de Schilderkonst (die het zelve in dit opzicht met de Dichtkonst is) toegepast, schynt daar geen twist meer over te vallen. Dog het is een gemeene spreuk, en de bevinding bevestigt de waarheid der zelve. Dat 'er geen regel is zonder tegenspraak; want schoon het in 't algemeen waarheid is, en zulks met redenen verstandige mannen bekragtigt hebben, datmen zonder natuurdrift en leyding geen meester in de Konst worden kan; zoo hebben wy egter voorbeelden van mannen, die zonder leyding alleen door drift en genegenheid Konstenaars geworden zyn, uit hun eigen getuigenis geboekt: maar ik twyffel niet als hun met ernst gevraagt wierd, of het hun in hunnen oeffentyd niet ging als een reiziger die op een velt doolt daar geen huizen staan, om naar den naasten weg te konnen vragen, en dos een grooten omtrek tot zweetens toe moet afloopen eer hy te recht raakt, of zy zouden zulks moeten bekennen, en ja zeggen.

Gelyk het dan in 't algemeen niet vast gaat, dat men zonder leyding geen goed Schilder word, zoo gaat het ook in 't algemeen niet door, dat de grootste vernuften en veelweeters, de grootste, of beste Konstschilders zyn.

Myn Meester S.v. Hoogstraten bezat een groot verstant, in by na alle zaken; inzonderheid verstont hy de grontreegels der Konst, zoo volkomen in allen deelen, dat ik niet geloof dat 'er ie-