Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen (1753) vol 3.pdf/159

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

altyd zeker, dat alle hoogvliegers in de Konst, en die door hun penceel een altytduurenden roem behaald hebben, groote vernuftelingen en veelweeters geweest zyn. De bevinding heeft ons dit geleerd, en 't gaat wis: dat de grootste Schilderkonstoeffenaars, ook in verstant en wetenschappen hebben uitgemunt, en zig daar van op hun tyd bedient; 't geen zy hebben doen zien in hunne penceelwerken, daar de vernuftige vindingen, bespiegelingen en bygevoegde cieraden klare blyken geven, dat hun verheven geest, den aart, en grond der verbeelde zaaken begreep, wanneer zy die door zinnebeelden en invoegselen wisten aan te duiden.

'T lust ons een opmerkelyk staal van vernuftige vindinge, in een konststuk, door Rubbens penceel bemaalt, en door Vondels pen beschreven, tot bestempeling van ons gezegde, na te schryven, uit de opdragt voor het Treurspel der Gebroederen.

Hier word ik belast (zeit hy) om door Rubbens, ds glorie der penceelen onzer eeuwe, een heerlyk en Koninglyk tafereel, als een treurtooneel te stofferen. Hy valt aan het teekenen, ordineren en schilderen, nog zyn wakkere geest rust eer het werkstuk voltooit zy. David zit 'er zwaarmoedig op den hoogen troon. Men ziet 'er, door een poort in 't verschiet, de drooge dorre en dorstige landouw quynen. Boven in 't gewelf van 't pragtige marmeren en cederen hof zwieren sommige Engelkens, die, naar de gewoone zinrykheid des allervernuftigsten Schilders, elk om stryt bezig zyn om net uit te beelden 't geen ter zaake dient. 't Een schynt het vonnis der Gebroederen uit een half ingerolt blad te vellen. Een ander geeft