op een Klavecimbel, nevens een oud Mannetje dat haar kwanzuis onderwyst in die Konst. Dit pourtret was zoo kragtig, schoon, vleezig en rond geschildert, dat het eer levend als geschildert scheen te wezen. Dog hy werd hier voor niet wel beloont, door dien hy aan een der Hovelingen die 't oor des Hertogs had, iets had geweigert, die hem daar voor dien trek speelde, en voorts altyd dwarsboomde; zulks hy naderhand niet meer voor den Hertog geschildert heeft. 'T schynt dat onze groote FRANS niet heeft gemerkt, of willen merken; dat zulke luiden de handen gevoelig gekust moeten worden: of dat hy zig min aan de Hoffelyke slaafsche vleyery, als aan het opvolgen van zyn aard en genegenheid liet gelegen zyn.
Hy was een byzonder goed vrient van Jan Steen, en beminde zyne boerteryen zoodanig dat hy op zyn gezelschap verzot was, en dikmaals by hem kwam; maar alzoo Jan Steen meer en meer tot den drank verviel (die met pek omgaat zeit het oude Hollandsche spreekwoort, wort 'er door besmet) gebeurde 't ook somtyds wel eens, dat onze MIERIS zig in de maat van drinken vergiste. Wie, zeit Seneca, is 't aller uuren even wys?
Als Jan naderhand een drinkwinkel opzette en een verkoper van natte waaren werd, kwam MIERIS hem somwyl bezoeken. En wanneer de Kelder van Jan vaats was, en de winkel geslooten, lokte hy MIERIS met hem elders heen, daar hy
meester Jakob Boreel, 't geen zoo uitnement Konstig geschildert en getekent is, dat het bovengemelde niet heerlyker heeft konnen wezen. In 't vrouwtje (behalve dat het naar een schoon leven geschildert is) ziet men klaar, dat het met opgetrokken gedagten staat te luisteren naar de toonen van 't Snarenspel.