Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen (1753) vol 3.pdf/170

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

Hoornen, ten Zinnebeeld van Koninglyke macht en grootheid verstrekt hebben, by de Caldeërs. Feniciers, en Hebreen. Want door het zeegedrogt met tien Hoornen, daar men by Dan. Cap. 7, af leest, worden zoo veel magtige Vorsten, als Alexander. Seleukus. Lysimachus. Demetrius. Antigonus. Ptolomeus enz, verstaan. Gelyk W. Goeree aangemerkt heeft in het tweede Deel van zyne Mosaische Historie p. 593. Waarom dan ook de oude Veldoversten en Krygslieden, om meerder ontzag en schrik aan hunnen Vyanden te geven op hunne helmetten weerzyds Hoornen planten.

Huydensdaags zouden Hoornen op 't hoofd eens mans geplant van een heel andere beduydinge wezen.

Dus hebben wy den optogt van Bachus de leeryverende Schilderjeugt, op dat zy dien toestel leere kennen, en zig by 't gebruik des ouden tyds houde (waarin velen hebben misgetast) als in een Tafereel doen zien. 't Lust ons met dat zelve oogwit, des Wyngods verjaarfeestviering in zyn gantschen zwier, bekleedingen, hoofdcierselen der Veld-en Tuinnimfen, hun wyze van Vreugdbedryven, en hoe de snoeplustige Satyrs daar meê omspringen, als in een Schildery met levendige koleuren, eerst door de fenixpen van Naso, nu door zyn vertaalder Arn. Hoogvliet, in Duitse vaersen afgemaald, voor te stellen.

Zie daar het pentafereel, bevallig, woelig, vol gemoedsdriften, vol van veranderingen, en zoo ryk van gedagten datmen 'er verscheiden tafereelen van zou konnen opslaan, en waar in yder voorwerp, als met den vinger, word aangeweezen: inzonderheid daar Priapus in dat onver-