Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen (1753) vol 3.pdf/18

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

Jan, die altyd dorst had, met drank laafde voor zyne potsige vertellingen, waar door hy somwylen tot in den laten avond opgehouden wierd.

Van een gevaarlyker gevolg zou het konnen geweest zyn, wanneer MIERIS eens van Jan afgescheiden alleen op eenen donkeren laten avond, aan de Langeburg kwam gaan, en struikelende over 't puin van een opgegraven verstopt Rioel, over hals en kop daar inviel, zoo dat hy naaulyks geluit van zig konde geven, om hulp te roepen. Geen ongeluk, zeit het spreekwoort, of 't heeft zyn geluk. Een Schoenlapper zat in zyn pothuis dus laat nog te werken en een deuntje te zingen. Zyn Vrouw die hem gezelschap hield met iets te naajen of te stoppen, hoorde eenig gestommel en geroep, waar op zy tot haar man zeide: hou op, hou op met zingen, ik hoor ymant als in nood roepen. Voorts nam zy de lamp, liep op het gerugt aan, daar zy hem dus deerlyk in de modder gezonken zag; riep haar man die in aller haast toeschoot en hem daar uit redde. Zy vaagden zoo zy best konden, den drek van zyne kleederen af, en ontdekten meer en meer aan zynen fulpen rok met goude knoopen dat het een fatsoenlyk man moest wezen die door den duister tot dusdanig ongeval gekomen was. Zy bragten hem op hun bovenwoning, reynigden hem voorts, stookten vuur aan, gaven hem een weinig Brandewyn, alzoo hy heel ontstelt was, en leiden hem op kussens neer voor 't vuur op dat hy zig warmde, door dien het in 't najaar, en koud was. Hy tot zig zelf gekomen (na dat hy door 't warm koesteren eenen ruime slaap gedaan had) was met zig zelven verlegen en beschaamt over dit ongeval hem overkomen, maakte zig niet bekent, maar droop zoo haast het maar dag werd, stil door naar zyn huis.