Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen (1753) vol 3.pdf/185

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

TORENVLIET te Rome gekomen was kostelyk uitgedost met een Fluweelen Rok, met zilvere knoopen, een pluym op zyn Hoed, en voorts 't een na 't ander, zoo dat hy zig zelven naau kende; en als hy voor d' eerstemaal by de Schilders, die van zyn kennissen waren, in de Herberg kwam, en een glas meer als naar gewoonte gedronken had, begon hy met hun te spotten; om dat's'er wat schraal en ongezien uitzagen. Naderhand maakte hy 't nog slechter; want staande in de deur van de Herberg, en ziende een troep dorstige Schilders om de deur zwieren als Byen om de Suiker, vraagde hy aan de geenen die by hem stonden, zyn dat ook al Bentvogels? en als hem Ja geantwoord wierd: antwoorde hy met opgestreken knevels: Ik dagt dat het bedelaars waren: om dats'er zoo geplukt uitzien. Dit werd onthouden, en als hy in de Bent zig liet inhuldigen, zwegen zy tot zyn geld opgesmult was, en zetten hem toen die smaatwoorden betaald.

Want daar moest naar ouder gewoonte (was het zeggen) wanneer zy den nacht overgezeten hadden, tot verluchting, en om den vaak uit de oogen te dryven, nog een wandeling gedaan worden,

Daar de Nieuwling schoon vergult
Door zyn Bentnaam, en gehult,
Met zyn Bult, den troep gaat leiden,
Trouwverzelschapt van de beiden,
Aller oudste van de Bent,
Tuk op schuimen en gewent
Zulke knapen; zulke groenen,
Hunne goudbeurs schoon te boenen.
Dog wie leert 'er ooit voor niet?