Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen (1753) vol 3.pdf/186

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

Deze toont hem in 't verschiet
Tivoli met waatervallen,
't Lustverwekkenste der dallen
Van 't geheeleRoomsche lant.
Geen wyst aan den and'ren kant,
Grotten, en gesloopte muuren,
Die den tyd en spyt verduuren.
Elk op ouden luister bromt,
Toen men by de grafsteê komt.
Van God Bacchus daar een wyngert
Geestig is omheen geslingert.
Hier begintmen weer terstont,
Drank te bieden aan den mont,
't Bloeyen van de Bent te drinken,
En van hand tot hand te klinken,
Tot zy zien het laatste gelt
Aan den Kroegwaard uitgetelt.

Onder den hoop waren 'er die het oude spreekwoord van Ja zoon, waar van ik gemeld heb, nog onthouden hadden. Deze maakten de rest op om dat zy hem met dien naam zouden doopen. Hy zulks in die vrolykheid niet opmerkende, beelde zig in dat zy hem gebentnaamt hadden naar den Ridder Jazon, den verwinnaar van 't Gulde vlies, en was daar meê wel in zyn schik, tot den volgenden dach, toen 'er hem uitleg van gedaan wierd. Maar dit was niet te herroepen.

Hy was ruim 29 jaren als hy te Rome kwam, als aanstonts blyken zal, en had toen al veele pourtretten geschildert, daar hy roem door behaald heeft; als inzonderheid den Heer Korn. Schrevelius met zyn vrouw en kinderen in een stuk, daar Joh. Blasius een lang gedicht opgemaakt heeft, aan welks einde hy zyn zangnimf dus doet spreken:·