Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen (1753) vol 3.pdf/19

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

Niet dat eerder vegeeten word, zeit het gemeen spreekwoort, als dankbaarheid. Dog hy hield zulks indagtig en betoonde het tegendeel. Hy nam een stukje schildery onder handen, en deê 'er met lust by wylen wat aan, tot dat het na verloop van twee jaren eindelyk voltooit kwam. Toen nam hy het stukje by schemeravond onder zyn mantel en ging naar des Schoenlappers woning, daar hy de Vrouw t'huis vond, die hy, om te weten of het de zelve ook was vraagde: of zy eenen geruimen tyd geleden niet ymant die in een rioel gevallen was met hulp van haar man daar uit gered had? de Vrouw zei ja: maar dat zy niet wist wie het geweest was. Daar 's ook (antwoorde hy) niet aan gelegen, haalde met een het stukje schildery onder zyn mantel uit, en gaf 't haar in hande, zeggende: daar, bewaar dat stukje schildery wel, dat is voor den dienst dien gy voorhenen gedaan hebt; dog zoo gy liefst geld daar voor had, breng het by den Heer Paats, en ging zonder zig bekent te maken weg. Waarlyk een staal van een dankbaaren en edelmoedigen geest.

De Vrouw, die verzet, op dat zeggen geen agt geslagen had, maar dit stukje aangenomen had, was wel in haar schik, en liet het aan deze en gene van hare buuren zien, die het zelve prezen en zeiden: dat het veel geld waard was; waar op zy belust te weten wat 'er van was voornam by den Borgermeester Jakob vander Maas op de Hooygraft (daar zy wel eer voor meit gewoont had) te gaan, om het te laten zien, gelyk zy deed, die straks ziende dat het van MIERIS geschildert was, haar afvraagde hoe zy 'er aan kwam? en hoedanig een man het was van wien