en uit te rekenen dat hy van Konings bloed was: maar 't was Koning Jan Beukelse van Leiden, die zig te Munster liet kroonen, daar M. Consartin een letter vaersje op Job gemaakt dus zinspeelt:
Te Munster was eertyds een Koning. Jan van Leiden,
Een voorzaat van 't geslacht der geestige BERCKHEIDEN.
Ik vind ook onder oude papieren vaersjes op hun beider Afbeeldsels door F. Snellinx. Dus op Gerrit:
Dit is BERCKHEIDEN, die de Bouwkonst naar het leven,
In kragt kan zetten, en haar rechten welstant geven:
En door inbeeldingkunde elks wezen zoo verbeelt,
Dat aan het werk het minst' van 't leven niet verscheelt.
De Palts Graaf gaf hem, in de plaats der schilderkroone,
Een gouden borstcieraad, het beeld van zynen Zoone.
En dus op zyn Broeder.
Dit 's JOB BERCKHEIDEN, wiens gelyk men in gebouwen
En Tempelschild'ren niet zal vinden nog aanschouwen.
Hy maalt ook, wat hy wil, op 't konstigste van all's. :Dat tuige Heidelberg, en Manheim in den Pals.
Hoe eert men best dien Geest, om naar waardy te pronken?
De Keurvorst heeft hem zelf zyn beeld van goud geschonken.
Zyn Beeltenis kan men zien in de plaat P. 32, nevens die van zynen Broeder Gerrit 33. Deze is 't eerste gestorven.