Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen (1753) vol 3.pdf/24

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

wien hy zeide: dat hy van zins was te trouwen. Waar op hem zyn Vader antwoorde: dat het nog te vroeg was om daar op te denken, en vervolgde, waar meê zout gy den kost winnen? dat weet ik niet zei JAN, maar wel dat het niet te vroeg is om te trouwen; want hy wist dat de bot vergalt was. De Vader ziende dat het ernst was zeide: Wy zullen by gelegentheid daar op denken, en naar een bekwaam voorwerp omzien. Dat hoeft niet zei JAN, die moeite heb ik u al afgenomen, ik heb er al een, onze Griet is een hupse bolle meit daar zal ik meê trouwen, en zy is bereets met kind. Zyn Vader ziende dat het verhoetelt werk was, en wat op geld gezet zynde, vraagde: wel wat zal van Goijen met zyn Dochter meê geven? Dat zal wel gaan zei JAN; myn meester is al een vette knaap(van Goijen was diklyvig.) Om verdere omstandigheden over te slaan, zyn Vader liet hem trouwen, en zette hem in een Brouwery te Delf.

JAN die nu de ruime handeling van 't geld had ging om een trantje en in de kroeg, en Griet was een makmoer, die nog op 't huishouwen nog op 't Comtoir paste; en als ymant bier op borg haalde 't maar met kryt op de ley aanschreef, zoo dat hy eens over 't sluiken van bier van den Pagter overvallen wierd, die de boeken vorderden, dog op de ley gewezen wierd die daar zoo min wist uit te komen als Griet; want die niet meer wist wat zy aangeschreven had. De Pagter eischte een groote boete, maar JAN bekreunde zig dit alles niet, wel wetende dat de Pagter viste daar niet te vangen was. Dit werd egter met den Pagter afgemaakt, en hy (onder belofte van beter op te passen) door zyn Vader weer in staat gesteld. De Brouketel raakte weer aan 't gaan: dog dit duurde niet