te dat hy een buideltje byzonder had, om een vrolyken avond te houden. 't Gebeurde dat hy eenig geld voor zyn werk had ontfangen, en de patroon hem zoo veel wyn schonk, dat hy maar even in staat was om t'huis te komen. Egter kwam hem in gedagten, dat 'er onvoordagt wel iets kon voorvallen, waar van hy juist zyn Vrouw het beduid niet wilde op de mouw spelden. Dus kneep hy by gissing wat van den geldbundel af, en rolde het op in een penceeldoek byzonder, met toeleg om het in huis komende elders voor zig te bergen, en van hem te leggen; om dat hem de zakken somwyl, als hy sliep, wel eens geluist wierden, 't geen hy ook deed. Maar des anderen daags was hem vergeten op wat plaats hy het geborgen had, dat hem niet weinig in ongerustheid bragt, en rusteloos overal deed zoeken, zonder te konnen bedenken waar hy het verstopt had. Des besloot hy den volgenden avond voordagtelyk zyn maag andermaal met wyn vol te laden, om een proef te nemen, of hy terwyl hy nugteren zynde 't niet konde naspeuren, het dronken zynde, niet zou agterhalen 't welk ook gebeurde; want hy kwam niet zoo ras des avonds de deur in, of 't schoot hem te binnen, waar op hy zyn hand stak in een hakkebord dat omgekeert aan den wand hing, en haalde den buit daar stil uit. Dit heeft hy my zelf verhaalt.
Hem volgt HUBERT VAN RAVESTEIN, geboren te Dordrecht. Deze schilderde gemeenlyk schaapstalletjes, en een boeremeit die een ketel of iets anders staat te schuuren, of met een boereknaap te praten; of ook wel de vertooning van den slagtyd, door een verken dat op de leer hangt, en jongens die met de blaas spe-