Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen (1753) vol 3.pdf/253

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

ren de Konst bleef oeffenen, en daar in zoo veer quam, dat hy voorts niet meer als het leven ten voorwerp noodig had. In het jaar 1670, quam hy te trouwen, en wyl het troubel jaar daar op volgde, en het zig liet aanzien als of de Franse moetwil deze Landen geheel zoude overstroomen, het Hollands Leeuwenhart in dat van een Haas scheen hervormt, de Steden met vlugtelingen alzins wierden opgepropt, besloot hy met zyn vrouw, dat dreigende gevaar over zee t' ontwyken, om buiten vrees aftewagten, wat 'er eyndelyk van te komen stond, of wat keer het oorlogslot nemen zoude, met voorneemen zoo het zig ten besten wendde (gelyk gebeurde) weder naar 't vaderland te keeren.

Zy namen dan in 't jaar 1672, de reis aan naar Fredrikstad, daar de Vrouw veel brave en wel gegoede Vrienden woonen had, alwaar zy gelukkig aanlandden, en by uitnementheid welkom waren. Niet lang was hy daar of 't wierd rugtbaar dat hy een Konstschilder was. Des kwam de brave Konstenaar Juriaan Ovens (die in dien oort door zyn pourtretschilderen zyn Fortuin gevonden had, gelyk hy ook veel geld naagelaten heeft) hem en hy den zelven te kennen, die hem gevolglyk in zyn huis bragt daar hy hem een groote zaal met Konst van de geagtste Meesters, waar mede hy aan de Hoven handel dreef, liet zien, en hem ook polste of hy voor hem wilde schilderen. Maar wanneer hy bemerkte dat onze Voorhout daar geen genegenheid toe had, ried hy hem naar Hamborg te trekken, met verzekering dat hy daar met zyn Konst, waar van hy een staal met zig gebragt en aan hem vertoont had, wel zoude staan, gelyk ook gebeurde. Want hy was daar welgezien, en bedong veel geld voor zyn werk,