hy deed, en het viel te beter uit, om dat 'er alreeds eenige dingen van Utrecht onder de liefhebbers waren gekomen. Hy hield zig daar omtrent acht maanden op, en ging tegen den winter weder naar Bommel, daar hy naauwelyks gekomen was, of hy wierd al weder te Utrecht by den Heer van Zuilen ontboden, die hem gaarn verpligt had, om in 't Sticht te blyven; dog hy keerde den volgenden Zomer weder naar Brussel, daar kort daar na alles weder in roere raakte. Weder te Utrecht gekomen, schilderde hy eenige dingen voor den Heer van Heemstede, en trouwde weynig tyd daar na met zyne tegenwoordige Huisvrouw, en zette zig daar ter neer.
In den jare 1697, had HOET tot voortzetting van de Konst, nevens Henrik Schook, aan den Magistraat der Stad verzogt, uit naam van het Schilders Colegie, een zogenaamde Academie of Tekenschool te mogen verwerven, tot Stads kosten. HOET maakte nevens Adolf Reets een dicht by die gelegenheid, tot aanwyzing van dat werk. Dog de last van dit Tekenschool quam alleen op hem aan, en hy heeft het verscheyden jaren uit liefde tot de Konst waargenomen. Wat belangt de Schilderyen die hy gemaakt heeft, die zyn te vinden op Slangenborg, waar onder eenige dingen zyn die van kenners gewraakt zouden kunnen worden, om dat hy dien Heer, die wat eigenzinnig was, niet kost verzetten in zyn bevattinge. Ook heeft hy te Voorst in het Huys van den Graaf van Albemarle aan den grooten trap opgeschildert eenige dingen die van anderen onvoltooit waaren gebleeven. By den Heer Griffier Pester te Utrecht, is een Zolder van hem geschildert, ook een by den Heer Noiret. Wat de kleene dingen belangt die zyn zoo wel niet aan