minste toe, voorwerpen, daar zig 't penceel stom op arbeiden kan, zonder der zelver volmaaktheid door een evengelyke vorm en koleur na te bootsen.
Wat doet zy niet op haar Saayzoenen telkens veranderingen in de bloemen, het ciersel der Hoven, zien! waar op vele van onze Konstschilders en Schilderessen, zoo oudtyds als nog, verlokt, hun vlyt hebben te werk gestelt, om der zelver schoonheid, tederheid, en pragtige koleuren na te bootsen.
Kan het Gevogelte, dat met zyn snelle wieken door de dunne lucht snort, het woud op zyn lieffelyk gezang doet schateren, en huppelende van tak tot tak elkander vervolgt, uw Schilderlust niet bekoren? of konnen de weerlooze veltdieren, Schaapjes, Geitjes, en Lammertjes, daar zy by dreven het bedoude morgengras afweiden, of daar zy drinkende zig in de bron spiegelen, uw penceellust niet voldoen tot nabootsinge?
Kan de Oceaan die door zeekasteelen bebouwt word; kunnen de veranderlyke voorwerpen die de wisselbare zee, en de bulderende noorden wind daar aan geeven, of de bevloerde binnewateren, daar met beeltwerk gecierde en vergulde Speeljachten, en menigerhande ander kleen vaartuyg zig op doet zien, tusschen de groene wallen, welke ten schutting strekken voor de landbuurten, u niet verlokken tot nabootsen? nog ook de Wilde zwyne en hartejacht (de lust der grootste waereldvorsten) nog de zwier dier toerusting, nog de hoflyke nasleep uw Schilderdrift niet gaande maken?
Zyn dusdanige voorwerpen te gering om uw vlyt daar aan te besteden? Wel aan, daar is stof genoeg. Verbeeld een veltknaap met zyn Buurmeit onder de