Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen (1753) vol 3.pdf/305

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

Boek des Uittochts, in het XXX Hoofdstuk. Op zulke wyze gelooven wy ook dat de Propheet Ezechiel de teekenkonst geleert heeft, waar door hy, op een Tichelsteen, een grontbewerp van de Stad Jeruzalem, en de beschansingen der vyanden, met hun Stormgereetschappen, afschetste. Zie Kap. 4.

En gelyk de Natuur tracht naar de volmaaktheid die de Schoonheid maakt, zoo hebben ook menigte Konstoeffenaars van ouds af, en nog getragt de Natuur in hare verbeeldingen zoo na te komen als hun immers door 't penceel doenlyk was, waar door het des te meerder verwonderinge baart voor den aanschouwer. Ja men zou ook mogen denken, dat de zugt tot het verbeelden van verschillige voorwerpen, inzonderheid zulke welke kort van duur zyn, ook door een verborgen werking bestiert word; op dat door de Konst de dingen, wanneer de Natuur zig inhout, zouden konnen gezien worde, en dus den opmerkenden door zulke beschouwingen nooit voorwerpen ontbreken, om den Schepper in die wonderlyke veranderingen der schepselen als in een spiegel te beschouwen.

Onder alle Schepselen der Waereld munt des menschen Beeld, inzonderheid dat van de Vrouwe, uyt, in welker maatschikkelyke omtrek van ledematen een volmaakte schoonheid opgesloten leit. Deze in vele voorwerpen verdeelt, en door stadig yveren van vernuftelingen, in een enkel voorwerp samen gebragt, doet ons verwondert staan, en't'effens besluiten: dat het eerste geschapen vrouwenbeeld, wanneer het versch uit de hand des Scheppers hervoort kwam, volmaakt schoon zal geweest hebben, van welke