Juist als de lieve Lente een schoone veltlievrei
Had aangetoogen, om de aanlokkelyke Mei
In Floraas bloemprieel vol vreugts te wellekomen,
Daar 't westewindje speelde al zagtjes door de boomen,
Verscheen 'er in het wout een herderinnestoet
Die dartelende in 't groen, verheugt en wel te moed
Festoenen vlochten om het veltaltaar te cieren
Der Bloemgodes, wier feest ze al dansend wilden vieren.
De nimfjes springen, zaam verblyt, door 't jeugdig kruit
Op 't juichend feestmuzyk van rinkelbom en fluit,
Tot dat zy wat vermoeit in schaduwe der Linden,
Zig nedervlyn om een luttel rusts te vinden,
Alwaar ze een bloemekroon ontdekken in het gras,
Als of die [1]door Glicere oudtyds gevlochten was.
Zoo geestig wist de kunst de bloemen te schakeeren;
Vrouw Venus mogt ze aan haar' Adonis vry vereeren.
Elk vat dit bloemkleinood met zuivre vingren aan.
De Bloemgodes bleef zelf als opgetogen staan,
Koomt, roept een nimfje, laat ons dit den Tuingod schenken,
Een ander: laat ons hier de hofjeugt meê bedenken,
Die is het waardig; maar vrouw Flora keurt dit af.
Aan wie men dit juweel als heilig overgaf,
Het geven aan Priaap zoude ik geensins gehengen:
Zoo zegt ze, de offervlam zou 't frisch gebloemte zengen.
En schenke ik 't aan de jeugt, 'k vrees haar onagtsaamheid.
- ↑ Glicere, Huisvrouw, of beminde van Pausanias.