Naar inhoud springen

Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen (1753) vol 3.pdf/313

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

Zy zou 't mishande'len, 't geen dan vruchtloos wierd beschreit.
Het veiligst is dat wy 't den schildergeesten wyden.
Die, die vereeuwigen myn schoonheid t' allen tyden.
Wat godheid is 'er die my meerder gunst bewyst?
Schoon al wat adem heeft myn' schoonheid viert en pryst.
Zelfs als de wintervorst het Aertryk houd bevroozen,
Zie ik gebloemte en kruid nog even jeugdig bloozen
Op 't dierbaar kunstpaneel, dat elk die 't ziet verbaast,
Zoo leevendig dat zelfs het bietje daar op aast.
Dies wilt u naar myn keur, en billik oordeel voegen.
Ik schenkze aan d'eed'le Konst, maar om alle ongenoegen,
Te myden, wie ze zal verkrygen, laat zulks aan
Die zig den waartsten schat in Konst van schild'ren, staan.
Wie dan natuur best weet in haar gedaante en zwieren
Te volgen, mag zyn kruin met dezen krans vercieren.


Het Jaar 1650, vrugtbaarder in 't voortbrengen van Konstenaren als wel andere jaren, zal ons Toneel stoffe opdissen voor alle smaken, door de veranderingen der toebereidselen, welke een zelven kost op nieuw smakelyk maakt. Dus daar wy voorheen twee, drie, Konstschilders, min of meer op hun geboortejaar doen verschynen, willen wy nu eens van wyze veranderen, en hen verzelt met een goed getal hunner tydgenooten, welker geboorte wy niet hebben konnen naspooren, te gelyk ten Toneel voeren, en in verscheiden bedryven doen uitkomen.