verre quam dat die behandeling van penceelkonst voor die van Gerards wierd aangezien, als uit het gevolg blyken zal.
Hy begaf zig dan eyndelyk den tyd van een half jaar, ten onderwys by Jan Lievensz. den jongen. Dees ziende dat zyne handelingen naar die van Gerards zweemden, liet hem de onvoltooide nagebleven stukken van dien meester (die hy na zyn dood gekogt had) opmaken. Ondertusschen schilderde hy ook een stukje 't geen Jan Lievensz. zoo wel beviel, dat hy tegens hem zeide; geef my dat; ik zal u weder een ander present doen. Dit geschiede. Hy verzogt dan eenige lief hebbers van Konst, om het zelve te komen zien, belastende aan Verkolje dat stukje op den Ezel te zetten; en onderwyl werd Lievens om ymant die hem spreken moest afgeroepen. Zy dit stukje wel bezien hebbende zeiden tot elkander, wat is dit? Jan kan het zoo goet niet maken, en Gerards is dood, hoe komt hy daar aan? Dit zeggen nam Verkolje in agt, en leerde daar uit niet alleen zyn vermogen kennen, en de waarde van 't zelve opmaken, maar het diende hem met een ten spoor, om met yver in het konstperk voort te draven.
Op gelyke wys stonden ook Valjant en Blooteling verwondert te kyken, als hy met zyne zwarte konstprinten (waar in hy by eygen uytvinding dus veer gekomen was) voor den dag kwam. 't Geen ik (als een staal van zyn byzonder vernuft en yver) de schilderjeugt ten voorbeeld, niet heb willen voorby stappen. In den jare 1672, kwam hy tot Delf te trouwen, en bleef daar van dien tyd af wonen, zettende zig tot het schilderen van pourtretten, daar hy veel meê te doen, en veel geld voor kreeg, en gedroeg zig zoodanig in zyn omgang, dat hy