woon was met een zoet praatje te verdryven, zeide, straks met een lachend wezen, wel buurvrouw Maritje Herculens, benje daar, kom zit wat by ons te praten. Met een liet die vrient, die by hem zat, stil een kannetje wyn halen, en Maritje buur moest meê eens drinken. JAN, die wel de grootste part daar van ingeslobbert had, werd vrolyk, en vatte Maritje buur, dan eens by de hand, dan eens by 't hoofd, dat niet naar haar zin scheen te wezen; waarom zy weg ging, onder beloften van ten eersten betaling te zullen krygen, ja dat hy 't geld zelf aan haar huis zoude brengen. Straks begon onze vrient zyn vorige reden op nieuw op te vatten, en tegen hem te zeggen: dat zulk een Weeuwtje hem gelyken zou, datze 'er helder en knap uit zag, en een goede huishoudster scheen te wezen. Zeker, zei JAN daar op, my dunkt ook dat het wel zou wezen; zy wint meê een stuivertje met haar Koopmanschap, en onder 't zeiltje (zeit het spreekwoord) is 't goet roeyen; daar en boven hoefde ik ook die schult, daar zy my om maant, niet te betalen, en had Schaapehoofjes en pootjes voor niet. Zyn vrient scheide van hem, na dat hy hem hadde geraden dit stuk met zyn Zuster (die een Klopje was) te overleggen.
k Zou myn Lezer te kort hebben gedaan, zoo ik het aanhangsel van zyn klugtig levensbedryf (dat ik onlangs eerst gekregen heb) niet op het voorige gelast had. Valt de rol wat lang, zy zal den Lezer daarom niet verdrieten. Zyn Zuster, als gezeit is, was een geestelyke dochter, (en hy was ook van jongs op in de Roomschen Godsdienst opgebragt, dog stiet maar zelden zyn voet aan den drempel van de Kerk) die hy zyn voornemen voor stelde, die het ook