Zyn digtfluit hooren liet, als de eer der Veldpoëeten.
Hy zong voor berg en dal, op [1]Sirakuser wys,
De schrand're Kunstheldin, aan Amstels boord, ten prys,
Die, boven Pallas Koor, van eed'ler geest gedreeven,
Als tegen vrou Natuur in 't kunstperk schynt te streeven,
Wanneer haar scherpe Schaar, met onvermoeiden vlyt,
[2]Uit leevenlooze blaên, een and're Waereld snyd.
Komt, Amstelnimfen, vlecht nu Palmen en Lauw'rieren,
Om schrand're Galatee gulhartig te versieren.
Hoe heeft zy [3]Bosmans Rei aan zich zo dier verpligt?
Het [4]vrygevochten Volk, dat traag voor dwanglust zwigt,
En slaakte 't [5]yz're juk van [6]Wreedaarts hoog vermoogen,
Ziet hier de [7]Heemraen, die, met meer dan Argus ogen,
Bewaakten 't Vrije veld, die Vaders van 't gemeen,
Van [8]Woestaard, in het [9]groen, gemartelt en vertreên:
Gelyk men Orfeus, die 't gedierte deed bedaaren,
Onnozel sneuv'len zag door Bacchus dart'le schaaren,
Pagina:De Groote Schouburgh Der Nederlantsche Konstschilders En Schilderessen (1753) vol 3.pdf/334
Uiterlijk
Deze pagina is proefgelezen